Nee, ik heb Ulysses niet gelezen. Ik heb ook geen plannen om me op deze of een andere klepper van James Joyce te storten. Een lezer moet nu eenmaal keuzes maken. Wel heb ik aan de hand van Joyce’ postuum uitgebrachte prozagedicht Giacomo Joyce (1968) in de voetsporen van de Ierse schrijver de stad Triëst verkend. De literaire anekdotiek die ik er onderweg aantrof, zet ik hier graag voor je uiteen.
‘Juwelige kersen’ en ‘schaamachtige perziken‘
De eerste plek waar ik James Joyce (1882, Dublin-1941, Zürich) tegen het lijf liep? Het bruggetje waarlangs zijn in brons gegoten evenbeeld het Canal Grande oversteekt. Daar vlakbij woonde de Ierse auteur na zijn aankomst in Triëst in maart 1905. Hij huurde er een flat die uitkeek op het levendige Piazza Ponterosso. Dagelijks legden daar imposante zeilschepen uit Istrië en Veneto aan om de fruit- en groentemarkt te bevoorraden. ‘De altaren der kramers zijn met de eerste vruchten getooid: groengevlekte citroenen, juwelige kersen, schaamachtige perziken met gerafelde bladeren’, aldus Joyce in zijn prozagedicht Giacomo Joyce – verderop meer over deze tekst.
‘… la mia anima è a Trieste’, luidt het opschrift bij zijn standbeeld, oftewel ‘… mijn ziel is in Triëst. Het komt uit een brief die Joyce in 1909 schreef aan Nora Barnacle (1884, Galway-1951, Zürich).

Vijf jaar eerder was zijn oog op straat in Dublin op haar gevallen. Ze bleek afkomstig te zijn van Galway aan de Ierse westkust en werkte in de hoofdstad als kamermeisje in Finn’s Hotel. Ze spraken een plaats en tijd af om elkaar opnieuw te treffen, maar Nora haalde het niet.
Twee dagen later, op 16 juni 1904, lukte het wel. Op hun wandeling langs de Dodder kwam het tot een pikant staaltje erotiek. James Joyce wist naar verluidt niet waar hij het had. Zozeer was hij overweldigd dat hij de lotgevallen van Leopold Bloom tien jaar later, toen hij aan Ulysses (1922) begon, ook op 16 juni situeerde. En nog altijd wordt 16 juni, oftewel Bloomsday, jaarlijks tot ver buiten Dublin als eerbetoon aan Joyce gevierd.
De lokroep van het Europese vasteland
Terug naar 1904. Tegen de herfst wilde Joyce weg uit katholiek-conservatief Ierland, omdat hij zich er in zijn artistieke vrijheid beknot voelde. Zijn moeder was een jaar eerder gestorven. Met zijn vader dronk hij graag het schamele gezinsbudget op, maar dat vond hij onvoldoende reden om onder de kerktoren te blijven. Het hielp ook niet dat er van zijn negen broers en zussen slechts één hem begreep, met name Stanislaus – verderop zal je hem nog tegenkomen.
Er was nog een reden waarom het Europese vasteland lonkte. Een openlijke romance tussen een schrijver-dichter en een kamermeisje zou op het continent mogelijk minder heisa veroorzaken dan in het provinciale Ierland. Voor Nora was de oversteek bovendien geen hindernis. Vanuit Galway was ze immers al naar Dublin getrokken. Dat deed ze nadat een oom haar omwille van een liaison met een jonge protestant op een avond bont en blauw geslagen had. Galway nog verder achter zich laten, schrok haar dan ook allerminst af.

Alleen zat de immer berooide schrijver in wording te krap bij kas om de overtocht te bekostigen. Collega-dichters en vrienden kwamen daarom met geld over de brug, toen Joyce een aanbieding kreeg om aan de Berlitz School van Zürich les te gaan geven.
Begin oktober 1904 nam het koppel de boot in Dublin. Ze scheepten wel apart in, want Joyce werd uitgewuifd door zijn familie en vooral zijn vader mocht geen lucht krijgen van het bestaan van Nora. Na een tussenstop in Parijs bereikten ze Zürich. Daar bleek de beloofde baan echter onbestaand. Joyce moest met Nora doorreizen naar Pula op het schiereiland Istrië, wilde hij als lesgever aan de bak komen. Goed vier maanden later, in maart 1905, volgde een overplaatsing naar Berlitz in Triëst.
Smeltkroes van talen en culturen
Toen Joyce er woonde, behoorde Triëst nog tot de Dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije en was het de belangrijkste haven voor de regio. De stad was dan ook een smeltkroes van talen en culturen op het kruispunt tussen Oost en West.

James Joyce hield op slag van het kosmopolitische karakter van Triëst. Tegen een achtergrond van neoklassieke architectuur, art nouveau en barok zag hij de modebewuste Triëstino’s graag paraderen in hun pronkkleren. Mannen liepen veelal in pak over straat, vrouwen in het lang. Hoeden maakten het plaatje af. Na zijn verhuis van Piazza Ponterosso naar een appartement op de Via S. Caterina 1 had hij een gedroomde observatiepost dankzij zijn uitzicht op de destijds belangrijkste winkelstraat, de Corso Italia.
De flat van de Joyces maakte er deel uit van een riant huis. Laat je blik vanaf de etalages op de benedenverdieping zeker naar boven glijden, naar de Jugendstilachtige gevelschilderingen.
Omhoogkijken is sowieso de boodschap in Triëst. Op de begane grond moet je het vaak stellen met saaie façades van winkels, banken en verzekerings- of immobiliënkantoren. Maar vanaf de tweede verdieping geven de gevels hun (vergane) glorie prijs: kleurrijke friezen en medaillons, fijne ornamenten, en wulps gebeeldhouwde dames in rokken die uitwaaieren onder hun ontblote bovenlichaam.
Berlitz en bordelen
In de nu verkeersvrije Via San Nicolò op nr 32, vlak bij het boekenantiquariaat van de in Triëst geboren en getogen schrijver Umberto Saba (1883-1957), had de voormalige Berlitz School vier leslokalen in een onopvallend gebouw.
Daar onderwees James Joyce Engels, net als zijn broer Stanislaus, die hem achternagereisd was. Joyce durfde zich in zijn lessen best kras uit te laten over de modale Dubliner. Die typeerde hij als lanterfanter met een zwak voor pubs en hoerententen. Hij beschreef dan hoe die Dubliner tegen de ochtend stomdronken zo goed en zo kwaad als het ging naar huis sjokte. ‘Arsing along’, gaf hij zijn studenten mee als geijkte term voor dit plompverloren door de straten én het leven strompelen.

Ook zelf is James Joyce meermaals terug naar vrouw en kinderen geschuifeld vanuit het oude stadsgedeelte rond de voet van de kathedraal San Giusto. Aan louche cafés en hoerenkoten was in deze buurt geen gebrek. Niet minder dan veertig bordelen waren er destijds te vinden in de smalle straatjes in de rosse buurt rond de Via di Cavana. Zijn acute reuma-aanval in 1907, waardoor hij een maand het bed moest houden, schreef Joyce dan ook onomwonden toe aan enkele koude nachten waarin hij in de rosse buurt in de goot had liggen te ontnuchteren.
Nooit verhuismoe
Na hun tijd in de Via S. Caterina bij de Corso Italia verhuisden James Joyce en Nora in 1909 met hun zoon Giorgio (1906) en hun dochter Lucia (1907) naar de Via della Barriera Vecchia 32. Die straat ligt in het verlengde van de brede boulevard Via Carducci en was toen, en nu nog altijd, een van de drukkere verkeersaders. Ze betrokken er een flat boven de Picciòla apotheek.
Deze apotheek, waarvan de eigenaar de huisbaas van Joyce was, bestaat overigens nog steeds. De verdiepingen erboven behoren nu tot het Victoria hotel Letterario, dat een graantje meepikt van de Joyce-bedevaartsfeer door zich op de kaart te zetten als literair hotel. Schuin ertegenover kan je in navolging van de schrijver in Caffè Pasticceria Pirona terecht voor een ruim assortiment aan verfijnde zoetigheden.

Nergens in Triëst zouden de Joyces langer wonen dan in de Via Donato Bramante 4: van september 1912 tot juni 1915. Op de vierde verdieping van dit intussen in het zalmroze gepleisterde herenhuis net buiten het hart van de stad begon hij aan Ulysses. Het eerste deel rondde hij er af. Gedurende de tijd dat hij daar woonde, slaagde hij erin Dubliners na verschillende mislukte pogingen alsnog uitgegeven te krijgen. Tot slot voltooide hij er Een portret van de kunstenaar als jongeman. Tussendoor, zo bleek na zijn dood, schreef hij er eveneens Giacomo Joyce.
Giacomo Joyce
Giacomo Joyce is een sterk autobiografisch prozagedicht. Het ontstond tussen 1912 en 1914. James Joyce’ biograaf Richard Ellmann vond het manuscript in de nalatenschap van Joyce’ jongere broer Stanislaus. Zelf heeft James Joyce het werk nooit ter sprake gebracht. Hij leek er dus geen plannen mee te hebben. Niettemin besteedde de schrijver veel zorg aan de uiterlijke vorm van het manuscript. In fijn handschrift en met veel witruimte schreef hij de prozaschetsen op bladen tekenpapier. Die bewaarde hij in een map. In andermans geschrift stond er bovenaan op de kaft ‘Giacomo Joyce’.

Giacomo Joyce werd in 1968 op aansturen van Richard Ellmann postuum gepubliceerd. In deze tekst schetst een al wat oudere kunstenaar in een vijftigtal korte fragmenten zijn onbeantwoorde liefde voor een van zijn studenten.
De titel suggereert dat Joyce zelf die kunstenaar is, ook al heeft de Ierse auteur de Italiaanse versie van zijn voornaam voor zover geweten nooit in het echte leven gebruikt. Het autobiografische karakter spreekt voorts uit de koosnamen Jamesy en Jim voor de kunstenaar in kwestie en uit zijn bij naam genoemde echtgenote, Nora.
Maar wie is de jongedame die zijn hoofd op hol bracht?
Femme fatale, Amalia Popper
In 1959 ontmaskerde Richard Ellmann haar als Amalia Popper (1891-1967). Zij was een van de twee dochters van Leopoldo Popper. Joyce kende hem als een gedistingeerd zakenman met Joodse roots, achter in de veertig, groot en slank, met een zwarte moustache. In Giacomo Joyce maakt de schrijver vader Popper ogenschijnlijk iets ouder:
‘Het gezicht van de oude man, knap, blozend, met uitgesproken joodse trekken en lange, grijze bakkebaarden, wordt mij toegekeerd terwijl wij samen de berg afdalen’.
Het gezin Popper woonde in een villa met zestien kamers vol antiek meubilair in een zijstraat van de Via Michele, die steil afdaalt naar de kathedraal San Giusto. Joyce kwam er vanaf het najaar van 1907 tot juli 1908 een keer of drie per week aan huis om Engels te onderwijzen.

Richard Ellmann had Amalia Popper graag aan de tand gevoeld over de kwestie, maar kreeg haar in de tien jaar tussen de vondst van het manuscript en de publicatie ervan nooit te spreken. Haar echtgenoot, schrijver en journalist Michele Risolo, zou dat contact namelijk tegengewerkt hebben. En toen Giacomo Joyce uitkwam, kon het helemaal niet meer, want ze was dan al overleden.
Il postino
Michele Risolo was er absoluut niet van overtuigd dat Amalia (alleen) model gestaan had voor de femme fatale van Joyce. Hij ontkent evenwel niet dat de schrijver een graag geziene gast was bij de Poppers.
Zo was hij op zondagen geregeld aanwezig op hun familiefeestjes. Soms nam hij zijn driejarige zoon Giorgio dan mee. Het gebeurde dat vader Popper vioolspeelde en Joyce hem begeleidde op piano. Nora was evenwel nooit van de partij. Omdat ze niet getrouwd waren – pas in 1931 werd hun verhouding officieel bezegeld – was het niet evident voor het koppel om samen aan het maatschappelijke leven deel te nemen. Kwam daar nog bij dat Nora zich vanwege hun chronische geldnood geen gepaste kledij kon veroorloven.
Volgens Michele Risolo hebben Amalia Popper en James Joyce elkaar tijdens het thuisonderwijs nooit onder vier ogen ontmoet. Later zou het enige contact tussen de twee een eenmalig over en weer gaande briefwisseling geweest zijn. Die draaide rond Amalia’s verzoek uit 1933 om verhalen uit zijn bundel Dubliners te mogen vertalen naar het Italiaans.
Of hij zich misschien zijn oud-studente nog kon herinneren? Joyce antwoordde haar van wel, en ook dat hij nog wist dat hij destijds soms haar postbode speelde. Daarmee doelde hij op de brieven die zij via hem liet afleveren aan een tante, die uit haar vaders gratie gevallen was vanwege haar geflirt met een vijftien jaar jongere man. Met Amalia Poppers verzoek om zijn werk te vertalen, stemde Joyce overigens in.
‘Love me, love my umbrella’
Of James Joyce werkelijk ziek van liefde was voor de jongedame uit het prozagedicht die hem afwees, blijft maar de vraag. Schreef de taalkunstenaar zich niet eerder in een roes van verliefdheid om zijn pen te scherpen? Zou het kunnen dat daarbij meer dan één meisje als zijn muze fungeerde?
Volgens het James Joyce Museum in Triëst is het antwoord op die laatste vraag ja. Als tweede meest waarschijnlijke kandidate schuiven zij ene Emma Cuzzi naar voor. Joyce begon haar Engels te onderwijzen vanaf 1912. Foto’s van na 1915, toen het gezin Cuzzi naar Firenze verkast was, tonen een vrijgevochten vrouw met kort haar, die paardreed en rookte.
Clare Wallace, verbonden aan het Centrum voor Ierse Studies aan de Karelsuniversiteit van Praag, denkt dan weer dat ook Annie Marie Schleimer Joyce’ muze was. Zij kreeg les van hem in 1905 en 1906. Hij zou haar ten huwelijk gevraagd hebben. En ze had een fascinatie voor paraplu’s, wat ons bij het envoi van Giacomo Joyce brengt: ‘Wie mij liefheeft, neme mijn paraplu voor lief’.

‘A Flower Given To My Daughter’
Of draaide het toch enkel en alleen om Amalia? Alleszins wordt zij algemeen gezien als de schenkster van de roos in het volgende fragment uit Giacomo Joyce:
‘Een bloem die zij mijn dochter gaf. Frêle geschenk, frêle geefster, frêle blauwgeaderd kind.’
En op hun beurt doen deze regels sterk denken aan Joyce’ gedicht ‘Een bloem aan mijn dochter gegeven’. Dit is opgenomen in de bundel Pomes Penyeach en andere gedichten en wordt eveneens aan Amalia gelinkt. Heel verleidelijk komt ze er evenwel niet uit:
Teer de witte roos en teer
haar handen die gaven
wier ziel dor is en bleker
dan de fletse golf der dagen.
Rozenteer en schoon, maar teerder
een wonder wild
sluiert gij in tedere ogen,
mijn blauwgeaderd kind.
Hoe dan ook, afgaande op de ‘Wie?’ in de openingsregels van zijn al bij al toch merkwaardig openhartige tekst Giacomo Joyce lijkt de schrijver zelf de voorzet gegeven te hebben voor de hele maskerade:
‘Wie? Een bleek gezicht met weelderig zwoel-geurend bont omkranst. Haar bewegingen nerveus en verlegen. Zij gebruikt een face-à-main.
Ja: een korte lettergreep. Een kort lachje. Een kort knippen der oogleden.
Ragfijn schrift, spits en ijl getekend vol verholen dédain en berusting: een meisje van goeden huize.’
Un caffè, per favore
Muzikaliteit typeert de pen van James Joyce. Dat is geen toeval, want veel heeft het niet gescheeld of de schrijver was operazanger geworden. Niet verwonderlijk dus dat hij vaak operavoorstellingen in het Verdi Theater in Triëst bijwoonde. Het geld had hij daarvoor nochtans niet, maar collega-journalisten van Il Piccolo stopten hem vaak gratis tickets toe. Zelf schreef Joyce voor de avondeditie van dit lokale dagblad en wel in vlekkeloos Italiaans. Nog altijd zie je deze in Triëst uitgegeven krant in het straatbeeld circuleren, op de bus bijvoorbeeld, in de trein en in de vele koffiehuizen die de stad telt.
Koffie was en is nog altijd hot in Triëst. Zo vertoefde Joyce met collega’s van het Berlitz graag in Caffè Stella Polare. Dit lag vlak bij het Canal Grande, niet ver van de Servisch-orthodoxe kerk met haar blauwgrijze koepel.

In koffiehuizen maakte Joyce ook vele uren zoek met Italo Svevo (1861-1928), aan wie hij privéles Engels gaf. Dat hij daarnaast de literaire ambities van zijn student op middelbare leeftijd steunde, is voor Svevo van doorslaggevend belang geweest voor de voltooiing van diens roman Bekentenissen van Zeno.
Maar het met voorsprong bekendste en chicste koffiehuis is het Caffè degli Specchi op het centrale Piazza dell’ Unità d’Italia. Vanaf het rijenbrede terras overkijk je dit Weens aandoende plein schuin tegenover de lange pier Molo Audace. Naar dit Caffè ‘van de Spiegels’ komen in de eerste plaats toeristen. De Triëstino’s tref je vooral aan in de meer bescheiden koffiehuizen overal verspreid in de stad.
Meer lezen/weten?
- James Joyce: Giacomo Joyce. Vertaald door Gerardine Franken. Voorzien van een voorwoord en aantekeningen door Richard Ellman. Nawoord door Fritz Senn. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam, 1969.
- James Joyce: Pomes Penyeach en andere gedichten. Vertaald door Ruud Hisgen. Joost Nijsen, Amsterdam, 1982. (eerste druk in het Engels in 1927) 82 pagina’s. ISBN 978 90 70630010
- Geert Lernout: James Joyce. Een introductie. Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2002. 238 pagina’s. ISBN 978 90 25331528

© Stefan Stynen
- Ten tijde van James Joyce waren de boulevards in Triëst rustiger dan nu. Er werd meer gefietst. Steekkarren en paardenkoetsen waren courant. De paardentram kende er sinds 1900 wel al zijn elektrische opvolger, bijvoorbeeld op de sinds kort weer in gebruik genomen historische tramlijn 2 naar Opicina. In dit rustige voorstadje van Triëst schreef Italo Svevo aan zijn Bekentenissen van Zeno. Geniet tijdens deze pittoreske tramrit langs de beboste heuvels van het spectaculaire uitzicht op de baai van Triëst.