In de kijker – ‘Nevenwezen’ van Donald Niedekker: over chocola en de onontkoombaarheid van het toeval

Donald Niedekker vs. Nacer Khemir! Dat is tweemaal pure magie. Om niet te zeggen drie- of viermaal. Want hoe had ik überhaupt kunnen bedenken dat Donald Niedekkers Nevenwezen, een wonderlijke roman met een aroma van chocolade, me naar de woestijntrilogie zou leiden van de Tunesische filmmaker Nacer Khemir? En dat dit drieluik, een oogstrelend weefsel van poëtische, mysterieuze stemmen in machtig mooie kleuren, me daarenboven een warm weerzien zou opleveren met een boek uit lang vervlogen tijden?

Windmolens en chocolade

Nevenwezen gaat over twee jongens, een Nederlandse en een Afrikaanse. De eerste groeit in de jaren zeventig op in de schaduw van de cacaofabriek aan de Zaan. Die rivier kronkelt vanaf Amsterdam een dertien kilometer noordwaarts. Langs haar oevers rijgen de fabrieken zich aan elkaar. Het is een rivier die draait rond meel, lijnzaad, koffie, zeep, mosterd, zetmeel en veevoer, onder meer. Verder suizen er ook nog talloze windmolenwieken in de Zaanstreek. Suizen of guiten – Donald Niedekker diept wel vaker zulke bijna vergeten woorden op.

Ook de lokale middenstanders houden de boel er mee draaiende. Onder hen zijn er enkele die de verbeelding van de jongen prikkelen. Kapper Pluis, bijvoorbeeld, al is de jongen niet onder de indruk van diens knipkunst, wel van zijn wonderlijke flacon met de roze rubberen bol: door erin te knijpen doet de kapper een geurend wolkje ontsnappen dat de coupe van zijn klant als bij toverslag fixeert. Je vindt de jongen ook vaak bij bakker Fijn, of beter gezegd bij diens echtgenote, die tussen haar bezigheden door heerlijk meanderend kan vertellen. Bij boekhandelaar Noomen springt hij dan weer dikwijls binnen om zijn leeshonger te stillen:

‘Hij las en las en las, te hooi, te pas, te gras, te onpas, vooral te onpas en te gras, te boom, te bed, hij las in het wilde weg, zonder methode of plan, zijn leeshonger stillend en tegelijk voedend, onderwijl iets oppikkend, een sfeer, een wijze van zeggen, en dat, zonder het te beseffen, diep in zich borgend, waar hij het jaren later gerijpt zou vinden, klaar voor, tot zijn eigen verwondering, gebruik in heel nieuwe verbanden.’

(het ‘te boom’ verwijst naar de kastanje in de achtertuin van zijn ouderlijke huis. Die kastanje is zijn droomboom en ook zijn lievelingsplek om te lezen)

Onder de vleugels van De Adelaar aan de Zaan

Van nieuwe woorden en ideeën die hij al lezend oppikt, maakt hij aantekeningen. Die ordent hij thematisch in multomappen – ringmappen voor de Vlamingen onder ons. We zitten dus volop in analoge tijden. Daarvan getuigen ook de cassettebandjes. Verder vormen een aantal gebeurtenissen uit de jaren zeventig mee het tijdskader:

‘In de jaren dat de jongen in zijn droomboom klom, over zijn knie wreef en bij de molens in de schaduw van de adelaar zat, maakte de geschiedenis overuren. Olie op de bon, gijzeling hier, vliegtuigkaping daar, ultimatum in een ambassade, faliekant mislukte bevrijding van gegijzelden bij de Olympische Spelen. Kanselier Willy Brandt knielde in Warschau en zijn rug boog in deemoed tot een brug tussen Oost en West.’

(de stenen adelaar uit dit fragment troont met breed uitgeslagen vleugels op de watertoren van de zeepziederij aan de Zaan; in maanloze nachten schudt de vogel zich in Nevenwezen wel eens uit zijn verstarring los, om een rondje te vliegen)

Nevenwezen

Door over de huid van zijn knie te wrijven, zwengelt de Nederlandse jongen zijn verbeelding aan. Die maakt het hem zelfs mogelijk om aan te knopen bij de droom van die ander, zijn dubbelganger. Die metgezel wordt de tweede hoofdrolspeler in Nevenwezen. Hij komt uit een West-Afrikaans land in de buurt van de evenaar, wellicht Ivoorkust of Ghana, waar cacao verbouwd wordt:

‘De jongen zong en danste, hij danste en tekende in het zand. Hij sloeg cacaovruchten van de bomen, hij kapte takken weg, spoot Bordeauxse pap op jonge spruiten of hoe die pesticiden, insecticiden, sulfaten ook heetten. […] Hij zong over een ander leven, over wie chocola kon eten. Dat was als het woud ingaan, waarvan zijn grootvader had gesproken. Fantaseren. Fantaseren over wie at wat hij had gekapt.’

Het verhaal van de zwarte jongen toont de armoede en bittere realiteit achter chocolade. Donald Niedekker heeft het over kolonialisme, migratie en ontworteling, maar wel subtiel. Hij houdt bitter en zoet in evenwicht, net als in goeie chocola.

Toeval bestaat (niet)

De zwarte jongen belandt uiteindelijk in Europa. Daar kruist zijn pad dat van zijn evenknie uit de Zaanstreek. Dat gebeurt niet zo toevallig als het lijkt. Er zijn namelijk twee Azteekse goden die als – hakketakkende – vertellers de touwtjes achter de schermen in handen hebben en zo dus het verhaal sturen.

Die twee Azteekse goden zijn geen lukrake keuze van Donald Niedekker. Chocolade was immers ook bij de Azteken een ding. Onder meer bij offerfeesten. Volgens de overlevering schonken priesters dan op de trappen van de tempels krachtige cacaodrank, die de deelnemers in extatische vervoering bracht. Dit ongesuikerde levenselixir geurde naar een mengeling van chocola, vanille, verhit koper en kaneel. De Azteken bedankten er de goden mee voor het dagelijkse herrijzen van de zon.

Het moment waarop de twee jongens uit Nevenwezen elkaar vinden, is goed voor een aangrijpende scène. Die speelt zich af in Parijs, op een Édouard Manet-tentoonstelling in Le Grand Palais:

‘Ze zagen elkaar in de spiegel achter de dromerig starende bardame van Folies Bergère. De jongen en de jongen. De spiegel spiegelde zoals spiegels plegen te spiegelen. […] Daar, voor Un Bar aux Folies Bergère, voor de theaterspiegel, het spiegelende vernis, het weerkaatsende glas, vond hun vis-à-vis plaats, ze richtten hun blikken op elkaar, want ook in een spiegel kun je elkaar aankijken. Ze zagen ogen die ogen opnamen, en dat die ogen dat van elkaars ogen wisten. Blikken die in blikken werden weerkaatst. […] ‘Tussen ons bestond niets, een vacuüm,’ zouden ze later zeggen. Ze hadden evengoed kunnen beweren: ‘Toen ontstond een “ons”, een “wij”.’ Wat samenhoorde groeide nu samen. De jongen en de jongen, de een en de ander, de ander en de een, ze lieten elkaar niet meer los.’

Donald Niedekkers bronnen

Donald Niedekker vertelt dit verhaal in korte fragmenten die hij stuk voor stuk ophangt aan een thema. Ze gaan over zus, over zo, over dit, over dat, zoals ‘Over de tijd’, ‘Over lezen’, ‘Over Narcissus’, ‘Over misleiding‘. Het laatste fragment is ‘Over bronnen’. Dit opent met ‘Boeken gedijen in een web van boeken’, maar aan het eind vermeldt hij ook twee films, waaronder Bab’ Aziz (2005) van de Tunesische Nacer Khemir (1948).

Met die film(maker) had hij mijn volle aandacht, want als er iets op mijn pad komt dat door Tunesische handen aangeraakt is, krijg ik het warm vanbinnen. En wat een trip werd dat! Ik was vertrokken voor drie films én een weerzien met een boek dat in mijn kast tussen de plooien van de tijd aan het verdwijnen was.

Ik kwam erachter dat Bab’ Aziz de afsluiter is van Nacer Khemirs woestijntrilogie. Samen met Les Baliseurs du désert (1984) en Le Collier perdu de la colombe (1991) vormt Bab’ Aziz een oogstrelend weefsel van poëtische, mysterieuze stemmen in machtig mooie kleuren. Benieuwd? Je vindt ze integraal op internet, met Engelse ondertitels.

Les Baliseurs du désert (1984), oftewel El Ha’imun, الهائمون

In de film ‘Les Baliseurs du désert’ arriveert een jonge leraar (vertolkt door Nacer Khemir zelf) met een aftandse bus in een dorpje diep in de woestijn. Een school blijkt er echter niet te zijn in de ommuurde – het fijne Moorse stucwerk! – gemeenschap. In elke familie is er wel iemand die de woestijn ingetrokken is om niet meer terug te keren. De Arabische titel van de film betekent de dwalende zielen. Binnen het zicht van de dorpelingen, maar te ver weg om afzonderlijke individuen te kunnen onderscheiden, trekken deze dolenden heen en weer door de zandduinen. Op en af, altijd weer opnieuw. De woestijn verbeeldt hun spirituele ruimte, waar ze aansluiting hopen te vinden bij de Andalusische tak van de soefitraditie.

Het soefisme, de mystieke weg binnen de islam, wil de mens bevrijden van zijn ego en hem via poëzie, muziek, stilte en contemplatie verbinden met het hogere. Het soefisme uit Al-Andalus heeft Murcia en Cordoba als belangrijkste centra. Het is uniek doordat het stoelt op de combinatie van Arabisch, Berbers, Joods, christelijk, en Grieks-filosofisch gedachtegegoed.

Die uiteenlopende invloeden zorgden voor thema’s als liefde, verlangen en metafysica binnen de religieuze mystiek. In de muzikale poëziecultuur die rond die mix ontstond, kreeg de woestijn een belangrijke symbolische rol. Dit alles heeft Nacer Khemir voelbaar gemaakt in zijn woestijntrilogie, niet alleen omdat het een mooie beeldtaal oplevert, maar ook om een lans te breken voor de gematigde islam.

Le Collier perdu de la colombe, oftewel Tawk al hamama al mafkoud, طوق الحمامة المفقود

Naast de woestijn hebben ook landschappen met tuinen en water een plaats in de soefi-symboliek uit Al-Andalus. Die paradijselijke tuinen met waterpartijen kom je tegen in Nacer Khemirs tweede film, Le Collier perdu de la colombe, ook al is het hoofddecor een traditionele medina met een moskee en verborgen steegjes.

Van de drie films is deze mijn favoriet. Het verhaal draait rond Hassan, een leerling‑kalligraaf. Hij is geïntrigeerd door de zestig Arabische woorden die er naar verluidt bestaan voor de liefde. Hij kent er al ruim dertig en is erop gebrand ook de andere te ontdekken. Door zich die woordenschat eigen te maken, hoopt hij te begrijpen wat liefde is, ook al zegt een geleerde hem dat meerdere levens niet zullen volstaan om haar te doorgronden.

Op een dag verbrandt een boekverkoper in de soeks een aantal zogenaamd gevaarlijke werken. Ezzine, een jongen die als liefdesbode heel wat ronddraaft in de medina, kan vingervlug een pagina uit het vuur redden. Hassan ontfutselt hem die half verbrande bladzijde en raakt in de ban van de tekst en de erin vermelde prinses van Samarkand.

Er is in het fragment sprake van twee oudere vrouwen die maar water blijven gooien in een leeg bassin, als om de dorst ervan te lessen. Op de rand van dit bassin zit de prinses van Samarkand met een granaatappel in de kom van haar handen. Door haar weemoedige lied wordt de ik-figuur in deze passage uit zijn droom gehaald.

Still uit Le Collier perdu de la colombe

Nacer Khemir

Le Collier perdu de la colombe vind ik bloedmooi. Nadat ik de film uitgekeken had, herlas ik Nacer Khemirs parcours. In 1948 werd hij geboren in Korba, op een kilometer of twintig van Nabeul, het centrum van de Tunesische pottenbakkerij en keramiekkunst. Toen hij op zijn twaalfde het werk van Paul Klee ontdekte, wist hij dat hij schilder zou worden. Daarnaast is hij vooral een verhalenverteller. In 1982, en nog eens in 1988, bracht hij telkens een maandlang een verhaal uit Duizend-en-één-nacht op scène in het Théâtre National de Chaillot in Parijs. Daarna was zijn woestijntrilogie zijn grootste realisatie.

Boeken zijn er ook van zijn hand verschenen, las ik. Eentje in de reeks “Carnets de sagesse” bij Albin Michel. Dat zijn boekjes met filosofische wijsheden, spreuken, gedichten en andere teksten uit diverse culturen. Nacer Khemir stelde in die reeks Paroles d’Islam samen.

Paroles d’Islam

Vanuit een verre uithoek van mijn geheugen deed Paroles d’Islam een belletje bij me rinkelen. Algauw zag ik daarbij de boekenwinkel voor me in de Tunesische kuststad Sousse, tussen de Corniche en de rommelige rotonde voor de medina. We schrijven 1995. Mijn eerste seizoen als reisleidster. Op mijn vrije dag liep ik graag in deze winkel binnen. En bij een van die bezoeken kocht ik een petroleumblauw boekje waarvan de cover bezaaid was met Arabische letters. Het was een bundeling van poëtisch-spirituele teksten gecombineerd met mysterieuze foto’s.

Eenmaal ik het beeld van dit boek scherp had, viste ik het kleinood bijna blindelings uit mijn Arabië-collectie. Op zich niet zo moeilijk, want die staat binnen handbereik, maar uit zelfbescherming laat ik haar zoveel mogelijk ongemoeid. Mijn Tunesische jaren waren namelijk intens mooi. Er naderhand van loskomen verliep daarom moeizaam. Sinds enige tijd waag ik me evenwel op papier en op het scherm/doek toch weer iets vaker op Arabische bodem.

Verwondering

Paroles d’Islam. Toen ik het boek kocht, wist ik het niet, maar nu wel: de letters op de cover vormen telkens “Allah”. En de mysterieuze foto’s binnenin zijn stills uit Les Baliseurs du désert en Le Collier perdu de la colombe.

Tekst van Ibn Hazm en still uit Le Collier perdu de la colombe in Paroles d’Islam

Die betoverende beelden hebben me destijds mee voor dit kleinood doen vallen. Maar pas nu komen ze tot leven, nu ik de films gezien heb. Pas nu kan ik ze plaatsen. Het voelt als het einde van de eerder aangehaalde passage uit Donald Niedekkers Nevenwezen:

‘Hij las en las en las, te hooi, te pas, te gras, te onpas, vooral te onpas en te gras, te boom, te bed, hij las in het wilde weg, zonder methode of plan, zijn leeshonger stillend en tegelijk voedend, onderwijl iets oppikkend, een sfeer, een wijze van zeggen, en dat, zonder het te beseffen, diep in zich borgend, waar hij het jaren later gerijpt zou vinden, klaar voor, tot zijn eigen verwondering, gebruik in heel nieuwe verbanden.’

Meer lezen/weten?

  • Donald Niedekker, Nevenwezen. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam, 2026. 213 pagina’s. ISBN:978 90 83616230
  • Paroles d’Islam. Textes présentés par Nacer Khémir. Albin Michel, Paris, 1994. 53 pagina’s. ISBN: 2 226 07048 6
  • Het gezochte boek in de film Le Collier perdu de la colombe is geïnspireerd op de verhandeling over de liefde van de Andalusisch-islamatische geestelijke en filosoof Ibn Hazm (994-1064). Het oudste teruggevonden manuscript van diens traktaat, Le collier de la colombe (°1022), bevindt zich overigens in de Universiteitsbibliotheek van Leiden. Een van de geselecteerde teksten in Paroles d’Islam komt uit dit boek.
  • En wat met  Nacer Khemirs derde film, Bab’ Aziz (بابا عزيز), Le prince qui contemplait son âme (2005)? Volledig overdonderd begon ik aan die film. Mijn verwachtingen waren torenhoog. Maar ik bleef een beetje op mijn honger zitten bij dit verhaal rond Bab’ Aziz, oftewel opa Aziz (de eerste betekenis van Baba is weliswaar vader). Hij is een blinde derwisj. Samen met zijn guitige kleindochter Ishtar is de grijsaard onderweg naar een derwisjenbijeenkomst die eens in de dertig jaar plaatsvindt. Tijdens hun reis vertelt hij haar over een prins, die zolang in een bron kijkt, dat hij voorbij zijn spiegelbeeld zijn ziel ziet. Voor het meisje is de prins even levensecht als de andere reizigers die ze onderweg ontmoeten tegen de achtergrond van ruige rotspartijen, een ondergrondse moskee en sensuele zandvlaktes.