Ik hoorde al veel lof over Patti Smiths Just Kids (2010), veruit het populairste boek van de Amerikaanse singer-songwriter bekend van onder meer ‘Because The Night’. En nu heb ik het uit en weet ik dat de kids uit de titel zijzelf en de fotograaf Robert Mapplethorpe zijn. Ze schrijft in dit memoir over hun liefde die aan het eind van de jaren zestig in New York ontluikt, hen jarenlang bindt, maar gedoemd is om te vervellen tot vriendschap. Meermaals brengt ze de Franse auteur Jean Genet (1910-1986) in haar relaas te berde. Het hoe en waarom daarvan zette mij ertoe aan om aansluitend diens Dagboek van een dief te lezen.
Just Kids
In het autobiografische Just Kids vertelt Patti Smith (1946) over de opkomst van de cultscene in New York aan het eind van de jaren 60. Zonder have of goed is ze er in die tijd zelf na een jeugd in New Jersey aangekomen. Algauw kruist Robert Mapplethorpe haar pad, als een soort bewaarengel.

De twee krijgen een relatie en timmeren samen aan hun weg in het kunstwereldje. Vaak zijn ze te vinden in en rond het legendarische Chelsea Hotel, toentertijd de creatieve hub bij uitstek. Ze zien in de eerste jaren best wat zwarte sneeuw, maar ze komen er wel.
Hij zal uiteindelijk bekend worden met iconische zwart-witfoto’s – overwegend sensueel getinte bloemen en (zelf)portretten, vaak expliciet homo-erotisch. Zij schopt het tot de singer-songwriter die punk en poëzie verenigt.
Esthetische diefstal à la Jean Genet
We schrijven november 1967. Op een dag komt Robert Mapplethorpe lichtelijk overstuur thuis. Bij de bookshop waar hij werkt, werden er die dag etsen te koop aangeboden. Daar was een origineel exemplaar bij van America: A Prophecy van William Blake (Londen, 1757 – 1827).

Robert Mapplethorpe en Patti Smith hielden allebei van deze Engelse dichter en schilder/graveur met een voorliefde voor het mystieke. Zo had zij een mooie facsimile-uitgave van zijn dichtbundel Songs of Innocence and Experience. Voor het slapengaan las ze Mapplethorpe er vaak uit voor.
Terug naar diens werkdag. Hij haalt de America: A Prophecy-ets uit de map waarin ze binnengebracht werd en laat ze in een opwelling in zijn broekspijp glijden. Een impulsieve handeling, die vloekt met zijn geenszins op diefstal afgestemde zenuwstelsel. Tegen het einde van zijn shift trekt hij het dan ook niet meer. Hij verbeeldt zich dat zijn collega’s hem doorhebben en duikt het toilet in. Daar haalt hij de ets uit zijn broekspijp tevoorschijn, verscheurt ze en spoelt de snippers door.
Hij trilt nog na, wanneer hij het bij zijn thuiskomst aan Patti Smith vertelt. Na zijn biecht beseffen ze dat ze nu samen medeplichtig zijn aan het ontvreemden én vernietigen van een kunstwerk. Maar gedane zaken nemen geen keer. Ook zijn ze het erover eens dat hij geen echte dief is, eerder een esthetische dief à la Jean Genet. Van hem weet Patti Smith namelijk dat hij bedreven was in het scheefslaan van zeldzame boekdelen van Proust en van dure stoffen. Al werd hij ook wel geregeld betrapt en achter de tralies gezwierd.
Herenliefde
Patti Smith kreeg van haar ouders, getuigen van Jehova, een religieuze opvoeding. Homoseksualiteit was min of meer een blinde vlek voor haar, tot Jean Genet er een gezicht aan gaf. Ze viel wel voor de poëtische constructie die hij er op papier van maakte. Als ze hem las, zag ze de zeelui en dieven voor wie hij viel in de eerste plaats als een mystiek ras. Echt hoogte kreeg ze niet van hun wereld.
De realiteit bleek evenwel weerbarstiger dan Jean Genets voorstelling. Daar kwam ze achter toen ze ten volle begon te beseffen dat Robert Mapplethorpe de homo-erotische kaart trok. Volslagen alleen en verward bleef ze achter toen de draagwijdte daarvan tot haar doordrong. Ze had tijd nodig om het te laten bezinken en zich te herpositioneren in zijn leven. Dat laatste gold uiteraard ook voor hem naar haar toe. En zo ging hun liefde mettertijd over in vriendschap, die standhield tot zijn dood hen scheidde.
Dagboek van een dief
Net als Jean Genet (of in navolging van?) hield Patti Smith ervan om in boekhandels te gaan rondneuzen. Zij had het gemunt op laaggeprijsde zeldzame drukken. Ze rekende die weliswaar netjes af aan de kassa, alvorens ze met winst door te verkopen. Boekendief Jean Genet sloeg die stap aan de kassa over.
In Dagboek van een dief (1949, Nederlandse vertaling 2019) haalt hij aan hoe hij door zijn zijdelingse betrokkenheid bij een poging tot het stelen van oude museumboeken op het idee kwam om betere boekhandels tot zijn actieterrein te maken. Hij ging er steevast naartoe met een aktetas en werd zo handig in het achteroverdrukken van waardevol leesvoer dat hij er op een gegeven moment zelfs een eer in stelde het altijd voor de neus van de boekhandelaar te doen.
Misdaad, erotiek en Antwerpen
Jean Genet pleegde diefstal en verraad, prostitueerde zich en zag de binnenkant van tal van gevangenissen. In plaats van kwaad en schande zag hij in dit alles schoonheid en erotiek:

‘Met een maniakale, een “angstvallige” zorg bereidde ik mijn avontuur voor, zoals men een bank of een kamer voor de liefde inricht: ik geilde op misdaad’.
Zijn verhalende dagboek gaat grotendeels over zijn schooiers- en gevangenisleven tussen 1930 en 1940. Dat speelde zich onder meer af in Centraal-Europa, Spanje en, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, in Antwerpen. De rode draad zijn de liefdes en verliefdheden die hem bezighielden, meer dan zijn bandieterij.
Over Antwerpen gesproken, Jean Genet liep niet bepaald hoog op met de Sinjorenstad. Een vluchtige flits van schoonheid veranderde daar niet veel aan:
‘De tijd van het jaar (het was herfst), de regen, de donkere kleur van de gebouwen, de lompheid van de Vlamingen, het typische karakter van de stad, en ook mijn armoede stemden me droef; ik ontwaarde in mezelf een diepe melancholie, veroorzaakt door allerlei voorwerpen die me verwarden. Tijdens de Duitse bezetting zag ik op het journaal een begrafenisplechtigheid voor honderd of honderdvijftig slachtoffers van het bombardement van Antwerpen. De doodskisten, bedekt met tulpen of dahlia’s en opgesteld in de ruïnes van Antwerpen, waren net bloemenstallen waar een stoet priesters en koorknapen in kanten hemden langsliep om ze te zegenen. Dit beeld, het laatste, sterkt me nog in het geloof dat Antwerpen mij een schaduwrijk liet zien. Ze vieren, dacht ik bij mezelf, de eredienst van deze stad waarvan de geest – zoveel wist ik toen wel al – de Dood is.’
Bloemrijke verdorvenheid
Met bloemen strooit Jean Genet overigens doorheen zijn ganse dagboek. Zo roept hij een herinnering op aan een park in het Poolse Katowice. Hij sliep er net als ook andere schooiers op de grasvelden, in de beschutting van de schaduw en de lage takken van een ceder. Bij dageraad stonden er boeven op uit de bloembedden. Een jonge bedelaar gaapte in de eerste zonnestralen. Anderen zetten zich te ontluizen op de trappen van een zogenaamde Griekse tempel.

Hij praatte er met niemand. In plaats daarvan ging hij in zijn eentje een paar kilometer verderop een kerk binnen, om er met behulp van een met lijm besmeerd stokje geld uit het offerblok te vissen. Vaak zette hij in één moeite bloemen op het altaar. Hij was er namelijk van overtuigd dat er over diefstal een god heerste die met goede daden te paaien viel.
Glorievolle persoonlijke geschiedenis
Nog in datzelfde park in Katowice, gehurkt in zijn hoekje in de schaduw, kwam hij een keer tot het duizelingwekkende besef dat hij onder dezelfde sterrenhemel zat die Alexander de Grote en Caesar nog aanschouwd hadden. En dat terwijl hij maar een bedelaar en een luie dief was! Maar wel een luie dief die Europa doorkruist had op eigen kracht, met zijn eigen middelen. Glorierijk waren die misschien niet, maar intussen schreef hij voor zichzelf toch maar mooi een geheime geschiedenis, met details die hij als even waardevol ervoer als de geschiedenis van de grote veroveraars.
In zijn dagboek durven zijn hersenspinsels wel eens langdradig uitwaaieren en hamert hij soms eindeloos op dezelfde spijker. Wat alles met alles verbindt in zijn avonturen is zijn (voor)liefde voor jongemannen. Liefst focust hij op details die zijn verhaal verfraaien, eerder dan op de feiten. Hij wil uit zijn verleden namelijk schoonheid putten, er iets in ontdekken dat een poëtisch lied oproept als bewijs van die schoonheid. En daarmee wist hij dus ook Patti Smith te charmeren.
Meer lezen/weten?
- Patti Smith: Just Kids. Vertaald door Kathleen Rutten. De Geus, Breda, 2012. 349 pagina’s. ISBN: 978 90 445 2116 0
- Patti Smith schreef vijf jaar na Just Kids een vervolg: M-train. Vertaald door Ton Heuvelmans. De Geus, Breda, 2015. 250 pagina’s. ISBN: 978 90 445 3522 8
- Jean Genet: Dagboek van een dief. Vertaald door Kiki Coumans. De Bezige Bij, Amsterdam, 2019. 332 pagina’s. ISBN: 978 94 031 7350 4
- Jean Genet stond bij de gerechtelijke autoriteiten bekend als ‘specialist in diefstal van zeldzame boeken’, aldus Kiki Coumans in haar nawoord bij Dagboek van een dief. In 1943 hing hem vanwege zijn lange staat van dienst als dief levenslang boven het hoofd. Dichter, schrijver en ontwerper Jean Cocteau slaagde er evenwel in dit verdict ongedaan te maken. In 1948 zette hij samen Jean-Paul Sartre een petitie op voor een definitief pardon. Met succes, want in de zomer 1949 werd ook Jean Genets resterende straf kwijtgescholden.