In haar roman Orlando (1928) laat Virginia Woolf een jonkheer veranderen van een man in een vrouw. Daarmee komt ze op voor het doorbreken van het beknellende keurslijf waarin zowel vrouwen als mannen gedwongen werden/worden. Op dit gegeven borduurt de Brusselse Jacqueline Harpman verder in Orlanda (1996), haar nu opnieuw uitgebrachte roman die zelfontwikkeling en genderexpressie verweeft met vrolijkheid, verzet en levenslust. Het uitgangspunt? De masculiene helft van literatuurdocente Aline Berger vindt dat hij lang genoeg gevangengezeten heeft in het lichaam van een verstandige vrouw: ‘Ik is duizend anderen en waarom zou ik die ik die me de keel uithangt niet kunnen verlaten?’
Orlanda van Jacqueline Harpman
Orlanda, in 1996 winnaar van de Prix Médicis, begint in Brasserie de l’Europe, tegenover het Gare du Nord in Parijs. Daar zit Aline Berger in afwachting van haar trein naar Brussel te lezen in Orlando. De vijfendertigjarige docente literatuur is met deze roman aan de slag voor een college dat ze eerstdaags aan Virginia Woolf zal wijden. Echt boeien doet het boek haar evenwel niet. Op zijn minst voor de tiende keer al gaan haar ogen over de cruciale passage waarin Orlando tijdens zijn ruim driehonderdjarige (!) bestaan in een vrouw verandert.
De diepere betekenis van die transformatie blijft Aline ontgaan. Wel pookt de passage onderhuids een andere gedachte op bij haar masculiene kant: als ik nu zelf eens van geslacht veranderde? Op goed geluk zet hij zijn zinnen op de stevig behaarde, blonde jongeman aan het tafeltje iets verderop in het stationscafé. Ja, hij verlangt naar deze man met zijn ontwijkende blik en de wijde, vastberaden mond van eigenzinnige mensen.
Gezond verstand overboord gooien, vurig willen en dan gaan?
Volstaat het louter wíllen, om de overtocht daadwerkelijk te maken? Kennelijk wel, want na zijn besluit om van lichaam te veranderen, breekt hij simpelweg door het onmogelijke heen. Even zweeft hij ergens rond waar tijd en ruimte niet bestaan:
‘nauwelijks ben ik vertrokken of ik kom al aan, ik heb de eeuwigheid doorkliefd, er is geen tijd verstreken, geen weg afgelegd, ik neem vaste vorm aan, de reis is ten einde, om me heen krijgt de kosmos zijn oude aanzien terug, ik kan kijken, ik hoor, ik voel, ik ben! Ik heb het gedaan!’

Na deze opzienbarende splitsing kijkt Alines masculiene helft vanaf het andere tafeltje naar haar lezende ik. Aline, die sinds haar puberteit al met een vaag gevoel van leegte worstelt, bespeurt nauwelijks iets van wat er aan de hand is. Op zijn beurt merkt haar mannelijke helft dat zijn kersverse gastheer geen greintje weerstand biedt. Hij heeft in dat nieuwe lichaam dus het rijk voor zich alleen. Op de tast zoekt hij de portefeuille van de jongeman en ontdekt dat hij ene Lucien Lefrène uit Brussel bewoont. Hij blijft dus een stadsgenoot van Aline.
Orlanda versus Orlando
Omdat hij niet Lucien ís, vindt de prominent aanwezige vertelster dat ze voor hem nog een naam nodig heeft. “Alain” misschien? Nee, te voor de hand liggend. En bovendien zonder meer mannelijk, wat niet het geval is voor het personage dat ze na die bizarre zielsverhuizing naar de toiletten ziet trekken om zichzelf in de spiegel te gaan bewonderen. Uiteindelijk doopt ze hem tot Orlanda en blijft daarmee dicht bij de roman van Virginia Woolf, ook al ergert Aline zich aan dit boek.

Virginia Woolf beschrijft in Orlando de levensloop van haar titelpersonage. Die begint eind jaren 1500 en eindigt in 1928. Die tijdsreis is op zich al heel bijzonder. Komt daar nog bij dat de jonkheer Orlando rond zijn dertigste na een zeven dagen durende tranceslaap van een man in een vrouw verandert. En dan gebeurt dit:
‘Hij verheft zich van zijn bed. Hij staat volkomen naakt voor ons en omdat de trompetten schallend herhalen de Waarheid! De Waarheid! De Waarheid! blijft ons niets anders over dan deze te huldigen – hij is een vrouw. […] Sinds het begin van de wereld had niemand er zo bekoorlijk uitgezien. Zijn gestalte vormde een harmonieus geheel van mannelijke kracht en vrouwelijke gratie. […] En Vrouwe Kuisheid, Reinheid en Ingetogenheid, natuurlijk door Vrouwe Nieuwsgierigheid hiertoe aangezet, keken om een hoekje van de deur en wierpen een kledingstuk, dat zeer op een handdoek leek, naar de naakte gestalte, maar helaas bleef dit enkele duimen van het doel liggen. […] Orlando was een vrouw geworden – dat valt niet te ontkennen. Maar in ieder ander opzicht was hij dezelfde gebleven. Deze geslachtsverandering wijzigde weliswaar de hem en haar beschoren toekomst maar in geen enkel opzicht hun beider identiteit.’
Lakens voor een tweepersoonsbed

Met die krachttoer wilde Virginia Woolf het beknellende keurslijf openbreken, waarin zowel vrouwen als mannen gedwongen worden. Tegelijk is de roman een fictieve biografie van Vita Sackville-West (1892-1962). Zij, een populaire schrijfster, begeesterde tuinontwerpster (Sissinghurst Castle Garden in Kent is van haar hand) en genderfluïde aristocrate deed Virginia Woolfs hart sneller slaan. Sommigen noemen de roman zelfs de langste en meest charmante liefdesbrief uit de literaire geschiedenis.
Van Orlando’s gedrag voor en na zijn metamorfose is Jacqueline Harpmans Aline echter niet erg onder de indruk:
‘Wat doet Orlando terwijl de eeuwen voorbijglijden? Hij naait een paar boerendochters en pakt en passant nog een koningin en een jongedame uit de Russische aristocratie, en wanneer hij een vrouw is geworden schijnt hij – zij! – met wat bevriende prostituees naar bed te gaan om ten slotte te trouwen met een nobele zeeman: fijn hoor, wat je geëmancipeerd noemt. En ten slotte vinden we haar terug in een warenhuis in Londen, als een tweede Mrs Dalloway, op zoek naar, nee niet naar bloemen, maar naar lakens voor een tweepersoonsbed.’
‘Jonghonderige liefdesdrift’
Lakens voor een tweepersoonsbed!? Zelf heeft Orlanda wel een onstuimigere levenswandel op het oog. Vrolijk gaat hij de versiertoer op, waarbij hij zijn ‘jonghonderige liefdesdrift’ ongeremd botviert op mannen. Orlanda is dan ook een gretige, twaalfjarige ziel in het lichaam van een twintiger. Immers, het was rond haar twaalfde dat de puberende Aline de jongen in haar begon te onderdrukken, waardoor die zich niet verder ontwikkelde.
En dat allemaal omdat haar moeder op een meisjesachtige dochter gesteld was. Omgekeerd, zo bedenkt Aline, schuilde er achter Virginia Woolfs jongensachtige edelman misschien altijd al een meisje en staat zijn tranceslaap voor zijn ontluikende puberteit. Haar moeder had haar toch ook bedrust aanbevolen, toen ze de eerste keer ongesteld werd?
Zelf was Aline tot haar puberteit energiek en zelfverzekerd. Ze liep met grote passen en had een luide lach. ‘Lieve hemel, je lijkt wel een jongen!’ zei haar moeder zuchtend, toen ze een keer het huis binnenstormde en zowel haar jas als haar schooltas nonchalant neergooide. Die woorden ervoer Aline als ronduit afwijzend. Ze nestelden zich in haar geheugen. Meer nog, ze begonnen daar ‘te rotten en vervuilden het water dat de wortels van de toekomst omspoelt.’
En zo begon Aline de halve jongen in haar weg te duwen. Later, na een paar minder geslaagde relaties, ging ze als jongvolwassen vrouw samenwonen met de rustige en vertrouwenwekkende architect Albert Durieux. Het vage gemis dat haar sinds haar tienerjaren achtervolgde, verdween er helaas niet mee.
Androgyne bolmens
Maar dan breekt de dag aan waarop Orlanda haar opzoekt en zegt wie hij is: haar wederhelft, oftewel ‘Ik ben u’. In eerste instantie lijkt zijn verhaal haar te dwaas om los te lopen. Maar tal van details die hij over haar weet, doen haar algauw bijdraaien. Voorzichtig laat ze hem nader komen, maar binnen de kortste keren staat er nauwelijks nog een rem op hun momenten samen. Allebei snakken ze naar elkaars nabijheid, ook al hebben ze jarenlang op slechte voet samengeleefd.

Los van puberteitsperikelen haakt de vertelster hun wederzijdse aantrekkingskracht ook vast aan de door Plato vastgelegde mythe van de bolmensen.
De Griekse komedieschrijver Aristophanes bracht die mythe te berde tijdens een eet- en drinkgelag waarop hij en de rest van het gezelschap de liefde doorlichtten. De bolmensen leefden rug aan rug, hadden twee hoofden en twee paar armen en benen. Ze bestonden in de combinaties man-man, vrouw-vrouw en man-vrouw. De mythe zet in op de gelijkwaardigheid van homoseksuele en heteroseksuele relaties alsook op androgyne persoonlijkheden. Aan de heerlijke eenheid die de bolmensen kenden, kwam jammer genoeg een einde. De reden? Hun verzet tegen de goden, waarna Zeus hen als straf voor hun opstandigheid onverbiddelijk in twee splitste:
‘als androgyne wezens, door de toorn van de jaloerse goden in tweeën gekliefd, draven we achter onze verloren wederhelft aan, proberen de oorspronkelijke eenheid te hervinden: waar is mijn alter ego? Wat is er gebeurd met die verrukkelijke volledigheid die ik me herinner en in welk leven was dat? Nu ze van elkaar gescheiden zijn, kwijnen Aline en Orlanda weg en zoeken elkaar op, toen ze één waren, haatten ze elkaar want onderworpen aan de afgunstige wil van de Olympus accepteerden ze elkaar niet en bevochten elkaar.’
Twee dolle weken
Orlando van Virginia Woolf vind ik vooral boeiend voor de olijke manier waarop de schrijfster haar gevoelens voor Vita-Sackville West transformeert. Als het om de psychologische ontwikkelingen en de verhaallijnen gaat, geef ik dan weer de voorkeur aan Jacqueline Harpmans Orlanda.
Hoe het na twee onstuimige weken verder moet met Aline en Orlanda, die zich vol overgave aan elkaar opladen? Dat lees je in de ontknoping van dit boeiende en verbeeldingrijke gedachte-experiment rond het volledig jezelf mogen zijn als fundament voor een compleet en gelukkig leven.
Meer lezen/weten?
- Jacqueline Harpman: Orlanda. Vertaald uit het Frans door Eveline Hemert. Met een nawoord van Gaea Schoeters. Uitgeverij Orlando, Amsterdam, 2026. 302 pagina’s. ISBN: 978 90 835638 31
- Schrijfster en psychoanalytica Jacqueline Harpman (Brussel, 1929-2012) was het kind van een Belgische moeder en een Nederlandse vader met Joodse roots. Zijn afkomst maakte dat het gezin tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte naar Casablanca. Na de oorlog keerden ze terug naar Brussel en ging zij geneeskunde studeren aan de ULB (Université Libre de Bruxelles). Die studies moest ze in 1950 afbreken doordat ze tuberculose kreeg. Een kleine twee jaar verbleef ze daarom in het universitaire sanatorium van Eupen. Daar begon ze te schrijven. In 1959 debuteerde ze, maar een tiental jaar later haakte ze af omdat haar uitgeverij na een directiewissel naar haar gevoel te weinig aandacht had voor haar werk. Ze besloot opnieuw te gaan studeren en koos voor psychologie. Vanaf het eind van de jaren tachtig pikte ze de draad als romancière weer op. Vanaf dan combineerde ze haar literaire carrière met die van psychoanalytica. Die laatste achtergrond is duidelijk voelbaar in haar romans van toen.
- Eerder postte ik ook al twee bijdragen rond Jacqueline Harpman. De eerste is gewijd aan haar roman Het Strand van Oostende, de tweede aan Ik die nooit een man heb gekend. Die laatste is haar inmiddels dertig jaar oude roman, waarmee ze recent tot een hype uitgegroeid is onder Angelsaksische boektokkers, bookstagrammers en andere boekfluencers.
- Wil je meer weten over Orlando? Lees dan zeker mijn post “In de kijker – Orlando van Virginia Woolf: een hartenkreet aan Vita Sackville-West?”