Boekkompas #4 – Torborg Nedreaas: ‘Niets groeit in het maanlicht’

In mijn boekkompas #4 ontdek je meer over Torborg Nedreaas’ fijngeslepen roman Niets groeit in het maanlicht, de schokkende en tegelijk genuanceerde terugblik van een Noorse vrouw op haar twintig jaar jongere zelf, die pakweg een eeuw geleden het recht niet had om baas te zijn over eigen buik.

***

Beginzin

‘Ik zoek iemand.’

De hoofdrol gaat naar:

Die “iemand” uit de beginzin. Zij heeft een tweetal weken eerder een nacht lang een cruciaal hoofdstuk uit haar leven verteld aan de haar onbekende man, die haar in de openingsscène zoekt. Wij lezers hebben mogen meeluisteren. Toen ze uitverteld was, verdween ze met de noorderzon.

Hij had de vrouw aangetroffen in het station. Ze stond er verloren te staan met een rode koffer aan haar voeten. Of hij haar ergens mee kon helpen? Na een lichte aarzeling liep ze met hem mee. Eenmaal aangekomen bij zijn voordeur, ging ze meteen bij hem naar binnen. In ruil voor de nodige alcohol en sigaretten, wilde ze graag praten. Twintig jaar lang had ze gezwegen, maar nu moest ze haar verhaal kwijt.

Wat volgde zijn de bekentenissen van een beschadigde vrouw van achtendertig. Zo nu en dan wordt haar geschiedenis onderbroken door een korte observatie van de man. Toen ze klaar was, dutte hij enkele tellen in. Daarvan maakte ze gebruik om ongezien weg te komen.

Waar & wanneer

Die gedeelde nacht speelt zich wellicht ergens in de jaren veertig af. De gebeurtenissen die het leven van de vrouw getekend hebben, dateren van twee decennia eerder.

Ze neemt ons mee naar een klein Noors dorp, dat verscholen ligt tussen bomen en rotsen. Het is omringd door schijnbaar vriendelijke boerderijtjes. Een zestal kilometer hogerop bevindt zich een mijn, De Groeve. Daar, in de verarmde mijnbouwergemeenschap, is de vrouw opgegroeid.

Ze omschrijft de plek als zo’n dorp dat zijn inwoners vormt, hun karakters dicteert en ieder individu terroriseert. Anders dan in een stad zijn de mensen in het kleine plaatsje als een soort dunne havermoutpap, laat ze vallen. Iedereen moet hetzelfde smaken, als een havervlok in die pap. Maar zij is geen havervlok. Zij voelt zich een peperkorrel:

‘en dat proef je meteen, en dan halen al die havervlokken hun neus voor je op, ze willen niets weten van wat voor specerijen in de pap dan ook’.

In tegenstelling tot haar zus en broer verkast ze rond haar achttiende naar de lager gelegen dorpskern, meer bepaald naar pension Nilsen, helemaal bij de zee. Zo is ze verder weg van haar benauwende ouderlijke nest en dichter bij de leraar wiskunde, Engels en natuurkunde, op wie ze al verliefd werd als puber van vijftien. Maar zowel boven als beneden wordt er over haar geroddeld vanwege haar te los geachte zeden.

Hart & ziel van het verhaal

Haar relaas gaat over een heftige verliefdheid, over vlinders in je buik, of nog:

Dat iemand zo kan glimlachen dat de hele wereld gaat schitteren en je vanbinnen vol trillende lichtvlekjes zit‘.

Johannes, haar voormalige leraar, beantwoordde de liefde die bij haar ontvlamd was helaas niet in gelijke mate. Maar hoe vaak hij haar ook aan haar lot overliet, ze kwam niet meer van hem los. Zelfs toen ze (korte tijd) met een ander getrouwd was, bleef ze ziek van verlangen naar hem, ondanks de talloze keren dat hij haar bot wegstuurde.

De roman draait om haar liefdesperikelen, maar verder speelt ook de instandhouding van de armoede van de arbeidersklasse een rol, net als de niet te benijden positie van vrouwen in een samenleving waar het patriarchaat nog de plak zwaait. Tegen die achtergrond brak ze op de drempel van volwassenheid meer dan één zwangerschap af. De herinnering aan het bloed, slijm en pus waarmee dat in achterkamertjes gebeurde, draagt ze als een kruis met zich mee.

Cover van het Noorse luisterboek bij uitgeverij Aschehoug

Vaak restte er haar in haar uitzichtloze situatie weinig anders dan haar troosteloze pensionkamer en de zee. Die zee, die soms zong op het strand, was haar vertrouweling gedurende lange tijd, maar wel een vertrouweling zonder een sprankje mededogen.

Treffend tafereel

Wie wel een sprankje sympathie voor haar over had, was Morck, de organist van het dorp, tevens communist in hart en nieren. Afgezien van zijn muziek, de fles en haar, had ook hij geen vrienden. Bij hem kwam ze enigszins tot rust, ongeacht of hij nuchter of stomdronken was. Ze was hem ook dankbaar omdat hij met zijn maatschappijvisie haar blik verruimde.

Op een nacht nam hij haar mee naar de kerk om iets voor haar te spelen. Voordat hij plaatsnam achter het orgel, trakteerde hij haar nog op zijn licht sarcastische eerbied voor religie:

‘Hij zei: Hier halen de armen hun rijkdom, hier halen de zwakken hun kracht. Hier komen de vertwijfelden om hoop te vinden. En zou je het hoofd niet moeten buigen voor een macht die mensen zoveel kan geven: een rijkdom die niet bestaat, een kracht die hun positie in deze samenleving verzwakt en een hoop die hun alle hoop voor dit leven afneemt?’

Maar net doordat godsvruchtige kerkgangers toch die rijkdom, kracht en hoop vinden, was Morcks geloof in een streepje geluk voor de mensheid nog niet helemaal verdampt. Hij kondigde dan ook aan ‘de werkelijkheid [te zullen] spelen waar het mensengeluk ligt te wachten tot de mensen het komen halen’. Want het geluk werd niemand in de schoot geworpen, je moest het zelf gaan halen, zo predikte hij. Al had hij persoonlijk wel alle hoop op een vorm van redding of verlossing laten varen, wat de reden was waarom hij dronk.

En toen begon de kerk te daveren. Het was een storm van harmonieën, waar een hartstochtelijke ernst in lag. Het ‘geluid kwam van het plafond, van de preekstoel en van alle muren, overal vlamde en brandde het, het was een bloedrode draaikolk’. Dit stuk – Johann Sebastian Bachs ‘Toccata en fuga in d-klein’ – vervulde de jonge vrouw die ze toen was effectief met een kracht waarvan ze niet wist dat die bestond.

Eenmaal terug buiten lagen het dorp en de omgeving verstild onder een intense, witte maneschijn. Met een doodmoeë stem zei Morck dat de mensen een zwak hebben voor de maneschijn, omdat die verblindt noch verbrandt. In stilte liepen ze verder tot waar hun wegen scheidden. Daar sloot hij af met: ‘Niets groeit in het maanlicht’.

Auteur

Achterflap van Niets groeit in het maanlicht

Torborg Nedreaas (1906-1987) werd geboren in Bergen, na Oslo de tweede grootste stad van Noorwegen. Ze was een feministe, die haar uitgesproken linkse ideeën in haar verhalen, romans en essays goot, alsook in bijdragen voor de radio.

Ze geldt als een van de meest vooraanstaande naoorlogse Noorse schrijfsters. Met Niets groeit in het maanlicht, een roman die bol staat van de fijngeslepen zinnen, brak ze in 1947 door.

Meer lezen/weten?

  • Torborg Nedreaas: Niets groeit in het maanlicht. Vertaald door Michal Van Zelm. Uitgeverij De Geus, Amsterdam|Antwerpen, 2026. 221 pagina’s. ISBN 978 90 44 550689