Dubbel geboekt – de Duitse Waddenzee met ‘Erosie’ van Astrid Haerens en ‘Thuishaven’ van Judith Hermann

‘Erosie’ vs. Thuishaven! In het poëtische ‘Erosie’ (2026) vertelt Astrid Haerens het verhaal van een vrouw die een overrompelend vriendschapsverdriet achter zich probeert te laten door op te gaan in het onmetelijke landschap van zee en strand op een Duits Waddeneiland. Aan de vastelandkant van dit eiland speelt zich dan weer Thuishaven (2025) af. Daarin laat ook de Duitse Judith Hermann met haar heldere en tegelijk betoverende pen een vrouw een poging ondernemen om zich te bevrijden van wat geweest is

Vriendschapsverdriet in ‘Erosie’ van Astrid Haerens

Alma is nieuw in de klas van Helle. Het is de eerste maandag van het nieuwe schooljaar. Vooraan in het klaslokaal staat een kooi met een vogel erin. Kaspar heet hij. De leerlingen moeten hem tekenen. Alma en Helle zitten naast elkaar op de achterste rij en houden elkaars vorderingen in de gaten. Het is het begin van een hechte vriendschap.

Niet alleen groeien Helle en Alma samen verder op, ze gaan ook allebei aan dezelfde kunstacademie studeren. Alma volgt de richting fotografie, Helle schilderkunst. De twee creatieve geesten verschillen fel van karakter – Alma guitig en heel aanwezig, Helle veel stiller en onzekerder. Niettemin hebben ze een ijzersterke connectie. Zij aan zij timmeren de soulmates aan hun leven en artistieke carrière. Maar dan gebeurt datgene wat Helle volledig uit het lood slaat: ze zijn halfweg de dertig en Alma beslist om haar te ghosten.

Over hun innige vriendschap en het rouwproces waar Helle na hun breuk doorheen moet, gaat ‘Erosie’. Astrid Haerens (Kortrijk, 1989) verspringt daarbij in korte hoofdstukken tussen terugblikken op het parcours dat de twee hartsvriendinnen afgelegd hebben en Helles verblijf op een Duits Waddeneiland. Daar wil ze leren om los te komen van Alma. Want zolang Alma in haar lijf blijft zitten als een onaf hoofdstuk, put die haar verder uit.

Duits Waddeneiland

In de passages die zich op het eiland afspelen, richt Helle zich tot Alma.

Alma, vriendin. Als ik je hand kon vastnemen zou ik je laten surfen naar Google Maps. Ik zou je tonen hoe de contouren van dit eiland eruitzien: een revolver, een droef zinkend zeepaardje. Je zou zien uit hoeveel strand het eiland bestaat. Ten westen en ten oosten liggen uitgestrekte wadden, zuigzompslikkige platen bedekt met heldergroene dikvlezige zeekraal die ik pluk en waar ik mijn tong tegenaan houd, zo zout zo heerlijk is het en zo afstotelijk tegelijk, zoals ik het graag heb en zoals je weet dat ik het graag heb – je lacht, je draait met je ogen. Uren breng ik buiten door, hier, op dit minuscule eiland met stranden die zo wit zijn en waar het zand niet ophoudt met stuiven in lange, brede stroken.’

Ik surfte zelf even naar de eilandengroep en, ja, in Wangerooge, het meest oostelijke Oost-Friese eiland kan je een revolver of een op zijn buik gekanteld zeepaardje herkennen.

Barnsteen

Strand, zee, vogels, schelpen en stenen worden pakweg anderhalve maand lang Helles wereld, terwijl ze logeert in een studio die een annex is van het huis van de tweeëntachtigjarige Hetty.

‘Hetty zegt dat een mens geen stenen kiest, maar dat stenen mensen kiezen. Hetty zegt dat ze spreken tot ons. Of ze zwijgen. Ze zegt, sommige zwijgen zo luid dat ze de grote poel van zwijgen in jezelf doen rimpelen. Het klopt. Soms lijkt het alsof ik in materie gegoten herinneringen raap. Ik voel de zwaarte bij een enkele aanraking. Soms voelen ze hol en gewichtloos. Ik denk dat een steen die spreekt vooral iets over de vinder zegt, zelden iets over zichzelf.’

Wat Helle vooral hoopt te vinden is barnsteen. Barnsteen, warmgoudgeel van kleur, is strikt genomen weliswaar geen steen. Het is miljoenen jaren oude, gestolde, fossiele hars uit naaldbomen, waar helende krachten aan toegeschreven worden. Op de Waddeneilanden spoelt barnsteen aan, maar het is moeilijk te vinden. Eenmaal Helle ernaar begint te speuren, kan ze er niet meer níet naar zoeken.

De O van onpeilbaar verdriet

Voor zover Helle het kan beoordelen lijkt Alma probleemloos zonder haar verdergegaan te zijn. Zelf krijgt ze het maar niet onder de knie, leven zonder Alma. Ze haat zichzelf omdat ze het niet kan. Ze ervaart Alma’s afwijzing als een aanval op haar hele wezen, op wie ze is. Dat ze er voor Alma niet meer toe doet, vreet aan haar. Het holt haar uit.

Bladspiegel met O’s uit ‘Erosie’

Die gapende leegte kan je zien in de cursief gekantelde O in de titel. Er dansen soms ook O’s in allerhande formaties over de bladzijden. Als je ze leest met een berustende zucht, dan hoor je er weemoed in. Lees je ze vol hoop en verwachting, dan ruisen ze van aanzwellende levenskracht. Of misschien doen de O’s je wel denken aan door water en wind gepolijste – geërodeerde – keien.

Astrid Haerens beschrijft hoe het bestaan betekenis krijgt dankzij zo’n echte, allesbepalende vriendschap – volgens Alma ‘de meest waarachtige vorm van liefde’. Maar nog overtuigender geeft de schrijfster het overrompelende verdriet weer, wanneer je zonder pardon de bons krijgt en je je leven moet herinrichten zonder je maatje van weleer. Dat het woord vriendschapsverdriet niet opgenomen is in de (Dikke) Van Dale en dus officieel niet bestaat, zal je alleen maar verbazen wanneer je ‘Erosie’ uit hebt.

Thuishaven van Judith Hermann

Ook in de roman Thuishaven (2025) van de Duitse Judith Hermann heeft een vrouw nood aan zo’n bevrijdende doorstart. Net als Helle in ‘Erosie’ trekt ze daarvoor naar het Duitse Waddengebied, meer bepaald naar de vastelandkant van het eiland Wangerooge.

Judith Hermanns hoofrolspeelster zit evenwel niet zo diep in zak en as als de vertelster van ‘Erosie’. Thuishaven is daardoor een stuk luchtiger. Het meer speelse zit hem eveneens in de best wel surrealistische toetsen. Verder raakt de vrouw in Thuishaven ingebed in een breder netwerk van nieuwe kennissen en vrienden.

Achter in de veertig is ze. Haar dochter is uitgevlogen. Van haar echtgenoot is ze recent gescheiden. Op haar eentje is ze verhuisd van de stad naar een kustdorp aan de Duitse zijde van de Waddenzee. Daar heeft ze haar intrek genomen in een afgelegen, nogal bouwvallig huurhuisje aan een zandweg, die eindigt in de polder bij de dijk. Vijf dagen per week werkt ze bij Sascha, haar oudere broer, die in het centrum een café runt. Druk is het in het dorp vooral op warme zomerdagen. Op het plein ruikt het dan naar hitte, suikerspin en gekonfijte amandelen.

Zelf is Sascha met zijn hoofd amper bij het werk doordat al zijn aandacht naar de twintigjarige Nike gaat. Hij is tot over zijn oren verliefd op haar, maar weet niet wat hij aan moet met het geëxalteerde kind, dat ineens in zijn leven opgedoken is.

Mimi

Na de eerste winter breekt Mimi de wereld van de vertelster open. Mimi, een vrijmoedige kunstenares, schildert en beeldhouwt. Ze is afkomstig van het dorp en is nu teruggekeerd om er zich opnieuw te settelen. Enthousiast neemt ze de vertelster, haar buurvrouw, op sleeptouw. Zo toont ze haar de plaatsen waar ze op een bijzondere manier gaat strandjutten:

Ze spande doek op een stevige lijst en legde het doek aan de rand van de kwelders in het slik, liet de vloed er een paar keer overheen gaan, en dan reed ze er weer naartoe om te kijken wat er was blijven zitten, wat het water op het doek had achtergelaten. Ze zei dat ze dat dan meenam om er iets van te maken. Soms was het niet meer dan een pluk blaaswier. Soms de scherven van scheermessen en zwaardscheden. De schaar van een kreeft, een oorkwal, kaf, zeepokken en garnalen. Sedimenten en plankton.’

Eén keer echter was het een versteende zee-egel, een andere keer een perfecte zeester […] Ze haalde haar doek binnen als een visser zijn net. Ik liep over het strand heen en weer en observeerde haar, de schelpen knarsten en braken onder mijn voeten. Ze had een rode duffel aan, de duffel stak af tegen de bleke lucht en het donkere slik, in het slik kruisten de lichte en radeloze sporen van de vogels elkaar. Tureluurs. Scholeksters. Kluten.

AI-gegenereerd beeld van Mimi’s zeeoogst

De watergeest van Minsen

Waar de roman zich exact afspeelt, laat Judith Hermann in het midden. Wel verweeft ze er de sage in van de nixe, een watergeest. Afgaande daarop lijkt de plek (gebaseerd) op Minsen. Dit is een piepklein dorp in de gemeente Wangerland aan de Duitse Waddenzee, tegenover het eiland Wangerooge.

In lang vervlogen tijden was de nixe er in het net van vissers beland. Dat gebeurde in de Blaue Balje, een zeegat vlak voor de kust. De vissers haalden haar aan boord en wisten niet wat ze zagen. Een jonge nixe met goudgerande turquoise schubben, een huid als albast en lang, algengroen haar. Ze namen de zeldzaam prachtige meisjesnixe mee aan land en sleurden haar naar een van hun huisjes. Daar sloten ze haar op en mishandelden ze haar dagen- en nachtenlang. Ze werd verkracht, geslagen en geschopt. Waarom? Omdat de vissers zoiets wonderbaarlijks als deze nixe nog nooit in hun leven gezien hadden en ze niets anders konden bedenken dan haar kapot te maken, aldus Mimi. Na al die martelingen zetten ze haar terug uit op de plek waar ze haar opgevist hadden.

De volgende ochtend zag het land voor de kust wit van de meeuwen. Met vele duizenden zaten ze op de velden en de moerasweiden. Ze bewogen niet. Ze wachtten. Eerst kwam de vloed, en ’s avonds stak de wind op. Onder de opkomende maan steeg het water, almaar hoger tot het over de dijk liep, kilometers ver landinwaarts. De tot een storm aangezwollen wind woedde drie dagen en drie nachten. Het water sleurde de weerloze mensen mee, het vernietigde alles wat ze hadden. De wraak van de nixe was hun deel.

© Karin Mennen, zij is de beeldhouwster van dit ‘Seewiekfen’ in Minsen

Het is een streekgebonden sage, maar voor Mimi is het verhaal ook universeel feministisch. ‘Het oudste verhaal ter wereld’, noemt ze het. ‘Vrouwen. Geknechte, gekwelde, onvrije en mishandelde vrouwen’, Mimi ziet het thema altijd weer terugkeren.

Kleine en grote kisten

Ook de twintigjarige, excentrieke Nike, het vriendinnetje van Sascha, de broer van de vertelster, is een soort alternatieve nixe. Ze valt op door haar weinige tanden, die haar mond sieren als ‘parels van zwart git’. Ze heeft borstelhaar en combineert haar Charles Manson-sweater vlotjes met stiletto’s. Sascha is weg van haar, maar weet niet wat met haar aan te vangen. Een gek kind, een pluizige geesteszieke, zo noemt Mimi haar.

Tot haar merkwaardige uitdossing behoort ook nog haar Hello Kitty-tas, die ze overal bij zich heeft. Daarin zit onder meer een mondharmonicadoosje, waarin het perfect opgebaarde skelet van een kikker ligt. En ook dat is geen toeval: Nike heeft als kind, voordat ze naar een tehuis ging, geregeld opgesloten gezeten in een kist. Althans, dat is wat ze zelf beweert:

‘Haar eigen moeder sloot haar op in die kist, soms maar een uur, soms een paar dagen. Zoals het uitkwam. Al naargelang hoe het met Nikes moeder ging, wat ze te doen had, of ze ergens heen moest, bezoek kreeg, niet gestoord wilde worden. Al naargelang Nike zich gedroeg, of ze deed wat haar gezegd werd, of dat ze zich teweerstelde, niet deed wat haar gezegd werd. Misschien huilde, zich op een bepaalde manier verzette, iets anders wilde. Iets voor zichzelf.’

En Judith Hermann speelt met nog meer kisten. Zo blikt de vertelster in haar openingsrelaas terug op de kans die ze dertig jaar eerder kreeg, om op een cruiseschip mee naar Singapore te varen als assistente van een goochelaar. Haar rol zou die zijn van de jonge vrouw, die in een kist zogenaamd doormidden wordt gezaagd. Dat was het plan. Zou het? Hoe het ook zij, aan dit verhaal wordt ze herinnerd door de marterval die Mimi’s broer Arild kort na haar aankomst in haar polderhuisje komt opzetten. Met die marterval eindigt ook de roman. ‘Het dier dat deze keer in de val is gelopen, verzet zich niet, het verstijft meteen en begint te wachten, ingekapseld in zichzelf […]’. Dat heeft de vertelster ’s nachts horen gebeuren. Wat zal het dier doen, wanneer ze de val de volgende ochtend openmaakt?

Meer lezen/weten?

  • Astrid Haerens: Erosie. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam|Antwerpen, 2026. 253 pagina’s. ISBN:978 90 254 7853 7
  • Judith Hermann: Thuishaven. Vertaald door Herman Vinckers. Meridiaan Uitgevers, Amsterdam, 2025. 197 pagina’s. ISBN: 978 94 93 305380