Een handvol leven, de debuutroman van Marlen Haushofer (1920-1970) kwam uit in 1955. Met evenveel verve als in haar latere romans voert ze er al met scherp psychologisch doorzicht een gespleten vertelster in op. Haar eigen onopvallende maar daarom niet onbewogen leven zit daar voor veel tussen. Hoe het haar verging voordat ze debuteerde, kan je lezen in de post die aan deze voorafgaat. Hieronder duik ik in de vijftien jaren die volgden.
(Te) veel bordjes in de lucht
Ook na haar geslaagde romandebuut Een handvol leven bleef Marlen Haushofer voortdurend een gevecht leveren om schrijftijd. Haar twee zonen waren inmiddels tieners en maakten het haar niet gemakkelijk. Toen ze met haar oudste – buitenechtelijke – zoon een bevriende psycholoog opzocht, was diens conclusie dat Christian zich door haar verwaarloosd voelde. Toen hij op zijn vijftiende als leerjongen aan de slag ging, bracht dat voor iedereen meer rust.
Ook de jongste, Manfred junior, kreeg het als puber lastig. Daarop stuurden de Haushofers hem naar een privéschool, waar vooral probleemkinderen van rijke, al dan niet gescheiden ouders naartoe gingen.
Waarom stelde Marlen Haushofer hem bloot aan een kostschoolregime, waar ze zelf zo onder geleden had? Bovendien kostte het handenvol geld terwijl het gezin het niet breed had. Als vrienden haar ernaar vroegen, antwoordde ze ontwijkend. Wilde ze meer tijd overhouden om te schrijven? Of vond ze een zekere afstandelijkheid en hardheid in de opvoeding nodig?
Kattenoppas

Hoe dan ook, ze miste Manfred junior, wanneer hij op internaat was. De leegte in huis deed haar dan van lieverlee praten met kater Iwan, zowat de enige die in het gezin geen onenigheid zaaide.
Ze gebruikte Iwan ook graag als alibi om thuis te kunnen blijven in plaats van mee op uitstap te moeten met haar echtgenoot, van wie ze op papier weliswaar gescheiden was – meer hierover in de vorige post. Manfred was namelijk een onvermoeibare chauffeur. Hij trok er graag zonder welomlijnd plan opuit, ook al was reizen vanwege zijn zwakke hart best belastend voor zijn gezondheid.
Wij vermoorden/doden Stella
Rond 1955 was Wij vermoorden Stella Marlen Haushofers inzending voor een schrijfwedstrijd. Ze won die niet, maar vond wel een uitgever voor de novelle. De uiteindelijke publicatie in 1958 kreeg op diens aansturen de afgezwakte titel Wij doden Stella en geldt als een van haar meesterwerken.
Stella is de onopvallende dochter van een vriendin van het hoofdpersonage Anna. Aan haar wordt Stella op haar negentiende voor enkele maanden te logeren uitbesteed. Algauw voelt de van liefde verstoken Stella zich aangetrokken tot Anna’s echtgenoot, een eersteklas Don Juan.

Anna kent de reputatie van haar man als gigolo. Toch duurt het een hele tijd vooraleer ze onder ogen wil zien wat er onder haar dak gebeurt. Eenmaal ze er achter is, deert het haar maar matig. Ze weet namelijk ook als geen ander dat Stella slechts een zoveelste tijdelijke verovering zal zijn van haar man.
Ze ziet het meisje recht in haar ongeluk lopen, maar sluit er haar ogen voor. Tot Stella er niet meer is en ze in het reine moet zien te komen met haar aandeel in de dood van het meisje.
Verbroken huwelijksbeloften vernieuwd
Nog in 1958 hertrouwde Marlen Haushofer met Manfred, nadat ze – officieel althans – acht jaar van hem gescheiden was. Als reden gaf de schrijfster aan dat het in een provinciaal nest als Steyr simpelweg niet mogelijk was om gescheiden door het leven te gaan.
Haar mentale gezondheid verbeterde er evenwel amper door. Bovendien was ze in de afgelopen jaren ook fysiek verzwakt: de longperikelen uit haar jeugd waren opnieuw opgeflakkerd en daarbovenop had ze last van bloedarmoede. Dit alles weerhield haar er niet van om een aanzet op papier te zetten van een verhaal dat al langer door haar hoofd spookte. Het zal haar bekendste roman worden: De wand.
Inmiddels heeft De wand bijna een cultstatus, maar toen de roman in 1963 uitkwam, waren er onder de – toen overwegend mannelijke – critici zowel hevige voor- als tegenstanders. Marlen Haushofer liet zich door de gemengde reacties weliswaar niet ontmoedigen, al verlegde ze haar aandacht eerst wel even naar kinderboeken – drie keer ontving ze trouwens de kinderboekenprijs van de stad Wenen.
“Waarschijnlijk ben ik gek”

In de zomer van 1963 was ze klaar om aan een nieuwe roman te beginnen. Ze verzekerde haar mentor Hans Weigel ervan dat ze naarstig schreef, ongeacht of het voor de vergetelheid was of niet: “Waarschijnlijk ben ik gek en hardleers, maar daar valt nu eenmaal niets aan te doen. In ieder geval zal jíj blij zijn om mijn gekte.”
Met dat laatste doelde ze op zijn suggestie dat ze iets met haar jeugdherinneringen moest doen. En dat is precies wat ze deed in wat de autobiografie van haar kindertijd zou worden: Hemel die nergens ophoudt.
In december meldde ze haar mentor: “Ik ben helemaal ondergedompeld in mijn nieuwe boek. Als het niet goed wordt, mag je niet op mij sakkeren. Jij bent immers de geestelijke vader, ook als het een miskraam wordt.”
Afgrond
Later, in een brief aan haar vriendin en schrijfster Jeannie Ebner, klonk het allemaal een stuk minder rooskleurig:
“De nieuwe roman is een marteling. Ik loop urenlang op en af en lijd er erg onder dat ik niets tot stand breng. Alles wat ik als een droom voor ogen heb, zal ik weer vernietigen door mijn onvermogen om het neer te schrijven. Ik vind het ook heel storend om voortdurend in verschillende werelden te leven, die door afgronden van elkaar gescheiden zijn. En dat terwijl ik er altijd al naar streefde om bijna dwangmatig tegenstellingen te verzoenen, harmonie te wekken en de grote schizofrenie te genezen.
Alleen, ik ben daarvoor te zwak en ik heb te veel kracht nodig om niet zelf aan die gespletenheid ten prooi te vallen. Ik produceer aan de lopende band liefde en omzwachtel daarmee alles als met watten, zoals het organisme holtes in een long inkapselt. Maar het blijven wel ingekapselde holtes die men niet uit het oog mag verliezen. Alles steunt op zo’n zwakke basis. Een klein probleem met mijn gezondheid volstaat (zoals ik weer heb ondervonden) om de hele kunstmatige orde aan het wankelen te brengen. Het gaat wel weer beter met me maar nu moet ik ook nog op mezelf letten en dat was nooit een sterk punt van me. Ik ga gewoon door totdat ik het niet meer aankan.”
Omwille van acute anemie kreeg Marlen Haushofer in die periode bloedtransfusies. Ze voelde zich zwak en uitgeput. “Ik zou dag en nacht kunnen slapen en heb zoveel werk,” was een zin die in veel van haar toenmalige brieven terugkwam.
Verdrongen pijn
Vanaf 1966 gingen haar gezondheidsproblemen haar leven beheersen. Tijdens een reis naar Rome met drie vriendinnen in de lente van 1967 haalde de gewezen studente kunstgeschiedenis (en Germaanse filologie) haar hart nog een keer onbekommerd op. Maar eenmaal terug thuis kon ze de trekkende pijn in haar rechterheup niet langer negeren. Ze consulteerde verschillende artsen. Die schreven haar pijnstillers tegen reuma voor.

Ondanks de ongemakken schreef ze wel verder. Na Hemel die nergens ophoudt in 1966 volgde twee jaar later Schreckliche Treue. Voor deze verhalenbundel kreeg ze voor de tweede keer in haar carrière de Staatliche Förderungspreis für Literatur. Acht verhalen uit deze bundel zijn in het Nederlands opgenomen in Ontmoeting met de onbekende.
In mei 1968 ging ze met Manfred naar Rome, en in het najaar bezocht ze Firenze met een vriendin. Daar was de pijn in haar heup niet meer te harden. Na haar terugkeer liet ze zich opnieuw en nu grondiger onderzoeken. Daarbij troffen de artsen op haar heup een gezwel aan zo groot als een appel. De ingreep om die tumor te verwijderen, mislukte.
Zij, die altijd geprobeerd had om de signalen van haar lichaam te verdringen of te bagatelliseren, was nu gedwongen om botkanker het hoofd te bieden.
De mansarde

Ondanks die tegenslag diende Marlen Haushofer het voltooide manuscript van haar laatste roman zoals afgesproken in tegen midden januari 1969: De mansarde. Opnieuw voert ze een naamloze vrouw op die haar rol als echtgenote en moeder meer uit plichtsbesef speelt dan uit ware overtuiging.
Echt leven doet ze pas wanneer ze in afzondering op haar mansardekamer kan tekenen. De ultieme vogel wil ze op papier krijgen: een vogel die het tegendeel uitstraalt van existentiële verlatenheid.
Ondanks de chemotherapie en de bestralingen, lijkt het alsof Marlen Haushofers man en kinderen niet beseften dat ze doodziek was. En zij speelde het spel mee. Al valt uit onderstaande tekst wel af te leiden dat ze het einde voelde naderen.
Testament
‘Maak je geen zorgen
Maak je geen zorgen. Je hebt te veel en te weinig gezien, zoals alle mensen voor je. Je hebt te veel gehuild, misschien ook te weinig, zoals alle mensen voor je. Misschien heb je te veel bemind en gehaat – maar slechts weinige jaren – twintig of zo. Wat is twintig jaar? Dan was er een deel van jou dood, net zoals bij alle mensen, die niet meer kunnen beminnen of haten.
Je hebt veel pijn verdragen, tegen je zin, zoals alle mensen voor je. Je lichaam was je al heel vroeg tot last, je hebt er nooit van gehouden. Dat was slecht voor je – of ook goed, want aan een onbemind lichaam is de ziel niet erg gehecht. En wat is de ziel? Waarschijnlijk heb je er nooit een gehad, je had alleen verstand en dat liet zich niet in met gevoelens. Of was er soms nog iets anders? Voor even? Bij het zien van klokjesbloemen of de ogen van een kat, bij het verdriet om een mens, om sommige stenen, bomen en standbeelden; bij zwaluwen over het grootse Rome.
Maak je geen zorgen.
Ook als je met een ziel behept zou zijn, dan wenst die zich niets meer dan een diepe, droomloze slaap. Het onbeminde lichaam zal geen pijn meer doen. Bloed, vlees, beenderen en huid, alles zal een hoopje as zijn en ook het brein zal eindelijk ophouden te denken.
Dank aan God daarvoor, die niet bestaat.
Maak je geen zorgen – alles zal vergeefs geweest zijn – zoals bij alle mensen voor je.
Een heel gewoon verhaal.
Steyr, 26 februari 1970
Marlen Haushofer’
Nog geen maand later overleed de schrijfster. In haar laatste uren, op 21 maart 1970, waakte haar broer aan haar bed, terwijl haar man en twee zonen buiten op de gang wachtten.
Meer lezen/weten?
- Hoe het Marlen Haushofer verging voordat ze debuteerde, kan je lezen in de post: In de kijker – De (on)uitgesproken Oostenrijkse Marlen Haushofer: ‘Een handvol leven’
- Marlen Haushofer: Wij doden Stella. Vertaald door Ria van Hengel. Van Gennep, Amsterdam, 2011, 71 pagina’s. ISBN 978 90 5515808 9
- Marlen Haushofer: Hemel die nergens ophoudt. Vertaald door Ria van Hengel. Van Gennep, Amsterdam, 2012, 192 pagina’s. ISBN 978 94 6164 091 8
- Marlen Haushofer: Ontmoeting met de onbekende. Samengesteld en vertaald door Ria van Hengel. Van Gennep, Amsterdam, 2014, 191 pagina’s. ISBN 978 94 6164288 2
- Marlen Haushofer: De mansarde. Vertaald door Ria van Hengel. Van Gennep, Amsterdam, 2011, 207 pagina’s. ISBN 978 94 6164029 1
- Daniela Strigl: “Wahrscheinlich bin ich verrückt …”, Marlen Haushofer – die Biographie. List, 2009. 406 pagina’s. ISBN: 978 3 548 60784 9
- De wand heb ik in deze post enkel vermeld. Ik ging er dieper op in in Twee vrouwen moederziel alleen (op aarde): Ik die nooit een man heb gekend en De wand.