Zowel Patti Smith (1946) als de Turkse schrijfster-vertaalster Tezer Özlü (1943-1986) brengt al eens graag een groet aan een overleden literaire held. Na een korte intro volg je hieronder eerst Patti Smith naar de begraafplaats van Jean Genet, Arthur Rimbaud en Sylvia Plath. Vervolgens beland je bij Franz Kafka, Italo Svevo en Cesare Pavese, in het kielzog van Tezer Özlü – vanwege haar tragische levensloop ook wel ‘de bedroefde prinses van de Turkse literatuur’ genoemd. Dodelijk triest dit alles? Nee, verre van.
Behoeft Tezer Özlü (1943-1986) een introductie?

Misschien wel. Hier gaan we. In 2024 en 2025 leerden we haar in vertaling kennen. Haar bekendste werk is de sterk autobiografische roman De kille nachten van de jeugd (2024). In dit boek uit 1980 zie je haar alter ego opgroeien in het Turkije van de tweede helft van de vorige eeuw. Ze schrijft over de worsteling met haar demonen, met haar omgeving en met de patriarchale maatschappij. Twee jaar later, in Reis naar de rand van het leven (2025), vat ze die worsteling als volgt samen:
‘Met jullie bedrijven en instanties zorgen jullie ervoor dat ik mezelf opvreet. Ik wilde dood, jullie hebben me weer tot leven gewekt. Ik wilde schrijven, jullie zeiden: daar verdien je geen droog brood mee. Ik heb geprobeerd te verhongeren, jullie legden me aan een infuus. Ik ben gek geworden, jullie hebben mijn hoofd onder stoom gezet. Ik heb samengeleefd met iemand met wie absoluut geen familie te vormen is, en toch zijn we dat geworden.’
Haar ouders waren aanhangers van Atatürk (1881-1938), de leider die Turkije stap voor stap op een moderne, progressieve leest schoeide. Het gezin was dan ook sterk gericht op West-Europa. Zo ging Tezer Özlü naar het Oostenrijkse Lyceum in Istanbul. Via haar broer kwam ze in contact met het Franse existentialisme. En al meteen na haar studies liet ze kansen om naar Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk te reizen niet liggen. Het was dan ook met argwaan dat ze zag hoe militaire en religieuze krachten vanaf de jaren vijftig opnieuw meer voet aan de grond kregen in Turkije. In het conservatievere klimaat dat daaruit resulteerde, aardde ze maar moeilijk.
Reis naar de rand van het leven
Toch zat Istanbul verankerd in haar wezen. Zo koppelt ze voortdurend naar de stad terug in Reis naar de rand van het leven, ook al gaat het boek over haar veertiendaagse trip dwars door Midden-Europa in de zomer van 1982. Haar uitvalsbasis is Berlijn, waar ze een jaar verblijft met een beurs. Haar belangrijkste stops zijn gewijd aan drie auteurs die ze vertaalde en met wie ze zich verbonden voelt: Franz Kafka (Praag), Italo Svevo (Triëst) en Cesare Pavese (Turijn).
De liefde bracht Tezer Özlü in 1984 naar Zürich. Twee jaar later overleed ze er, op haar tweeënveertigste, aan borstkanker. In Istanbul is ze begraven. Vanwege haar worsteling met de verlatenheid van het leven en de wereld, haar poging tot zelfmoord, haar psychiatrisch parcours, haar rusteloze innerlijk en haar vroege dood kreeg ze de bijnaam van ‘bedroefde prinses van de Turkse literatuur’. Dit etiket zet haar vernieuwende stijl soms in de schaduw. Ze schreef namelijk dicht bij zichzelf en volgde daarbij de kromme sprongen van haar geest, wat een al even grillig tijdsverloop opleverde. Die aanpak sloot niet meteen aan bij de in haar tijd in Turkije meer behoudsgezinde literatuur. Maar inmiddels wordt ze ook in haar vaderland wijd en zijd gelezen en geprezen.
Behoeft Patti Smith een introductie?

Nauwelijks, maar toch dit. Het grootste succes van singer-songwriter, peetmoeder van de punk en podiumbeest Patti Smith is geen album, maar een boek: haar memoir Just Kids (2010). Alleen al in de VS ging het meer dan een miljoen keer over de toonbank. De kids uit de titel zijn zijzelf en de fotograaf Robert Mapplethorpe. Ze ontmoetten elkaar als prille twintigers in de zomer van 1967 in New York, toen de hippiecultuur er een hoogtepunt bereikte. In Just Kids blikt ze terug op de toenmalige kunstscene en de weg die ze samen aflegden – eerst als geliefden, daarna als vrienden.
Vijf jaar later volgde M-Train, een memoir vol overpeinzingen rond onder meer reizen, auteurs en boeken waar ze van houdt, haar zwak voor detectivereeksen en schrijven bij koppen koffie in Café ‘Ino, haar favoriete bar in New York. Zelf is ze dan al ruim tien jaar weduwe. Haar echtgenoot en de vader van hun twee kinderen, de gitarist Fred “Sonic” Smith, overleed in 1994 aan hartfalen. Haar grote liefde, noemt ze hem onomwonden in Engelenbrood (2025), haar meest persoonlijke memoir, waarin ze terugblikt op haar hele leven.
Doorheen haar boeken, waarin je voelt dat pen en poëzie met de jaren de muziek overvleugelen, springen drie van haar kerkhofbezoeken er voor mij uit: het Marokkaanse Larache (Jean Genet), het Franse Charleville-Mézières (Arthur Rimbaud) en het historische dorpje Heptonstall in West Yorkshire (Sylvia Plath).
Patti Smith bij Jean Genet in Larache

We schrijven voorjaar 1981. Patti Smith en Fred “Sonic” Smith zijn bijna een jaar getrouwd. Dat hij haar overal mee naartoe zou nemen, zegt hij, overal waar ze maar heen wil, als zij hem belooft hem daarna een kind te willen schenken. Zonder aarzeling kiest ze Saint-Laurent-du Maroni als bestemming. De stad ligt in het noordoosten van Frans Guyana, op de grens met Suriname. In 1858 richtte Frankrijk daar een strafkolonie op, die tot 1946 in gebruik bleef.
Patti Smith heeft de restanten van die gevangenis al lang op haar verlanglijstje staan. De locatie kent ze dankzij Jean Genet (1910-1986), die er lyrisch over uitweidde in zijn Dagboek van een dief. Nochtans stond de plek alom bekend als onmenselijk. Tijdens zijn zwerftochten door Europa belandde Jean Genet zelf in tal van gevangenissen voor diefstal, homoseksualiteit en prostitutie . De Fransen stuurden hem evenwel nooit naar Saint-Laurent. Daardoor was het hem tot zijn spijt niet gegund om toe te treden tot de broederschap van geharde misdadigers aldaar.
‘Three stones for Jean Genet’
Patti Smith kent Jean Genet niet persoonlijk. Wel weet ze in 1981 dat zijn gezondheid het niet meer zal toelaten om nog naar Saint-Laurent te gaan. Daarom neemt ze bij haar bezoek aan de site enkele stenen mee. Die wil ze via haar vriend en beatschrijver William S. Burroughs ooit aan de Franse schrijver overhandigen. Ze laat de aarde aan de keien zitten en stopt ze in een grote Gitanes-luciferdoos.

Ze raakt echter niet meer bij Jean Genet. De stenen bewaart ze jaar in jaar uit in diezelfde luciferdoos. Tot 2013, wanneer ze met haar meereizen naar Marokko. In haar programma verwerkt ze de christelijke begraafplaats van Larache, waar Jean Genet sinds 1986 begraven ligt. In M-Train klinkt dit zo:
‘Hoe dichter we de stad Larache naderden, hoe sterker het gevoel van de zee werd. Het was een oude vissersplaats niet ver van oude Fenicische ruïnes. We parkeerden bij een fort en liepen de heuvel op naar de begraafplaats. Er stonden een oude vrouw en een kleine jongen, alsof ze ons verwachtten, en ze deden het hek voor ons open. De begraafplaats voelde Spaans aan, en het graf van Genet was naar het oosten gericht en keek uit over de zee. Ik verwijderde niet alleen het puin van het graf […], maar ook dode bloemen, twijgen en glasscherven, waarna ik de grafsteen schoon boende met water uit een flesje.
Ik zei de woorden die ik wilde zeggen, goot water op de grond, groef een diep gat en begroef de stenen. We legden onze bloemen neer en hoorden in de verte de muezzin de gelovigen oproepen tot gebed.’
Witgeverfde muren en muntthee
Ook in haar laatste memoir, het intieme en meeslepende Engelenbrood, merk je dat Marokko en Tanger in het bijzonder een grote aantrekkingskracht op haar uitoefenen. Daar zitten de Amerikaanse auteur Paul Bowles en de schrijvers van de Beat Generation zoals Allen Ginsberg en Jack Kerouac voor veel tussen. De meesten van deze non-conformistische beatschrijvers trokken naar Tanger vanwege de belofte van drugs en de toegankelijke homoscene. Zelf zoekt Patti Smith er de mediterrane sfeer op.
Als ze niet naar Marokko (of andere plekken) kan, pakt ze het anders aan:
‘In mijn verlangen om te reizen, in andere straten te lopen, in andere landen te zijn, transformeerde ik in gedachten delen van mijn omgeving. De hengelsportwinkel aan het eind van het blok, met zijn witgeverfde muren en lege terrein, was mijn Marokko. Ik zette muntthee; liep erheen en ging tegen de muur zitten, vooral als het warm was, en stelde me voor dat ik in Tanger was, waar de zee en de woestijn bij elkaar komen. Aan de andere kant van het blok lag mijn Marseille. Vanaf daar zag ik de boten in de verte op het St. Clairmeer [bij haar woonplaats ten noordoosten van Detroit]. Op de pieren bevonden zich betonblokken waarin zware koperen haken waren verankerd die vroeger werden gebruikt om kleinere vaartuigen te dokken. In mijn verbeelding werden deze eenvoudige elementen omgetoverd tot een hele havenstad, de stad van zeelui en de stervende Rimbaud.’
Patti Smith bij Arthur Rimbaud in Charleville-Mézières
Arthur Rimbaud (1854-1891) is misschien wel haar grootste papieren liefde. Ze was een jaar of vijftien, toen hij in haar leven kwam, schrijft ze in Engelenbrood. Bij een kiosk met boeken voor 1 dollar per stuk stal ze toen zijn Illuminations (Les Illuminiations, 1886), nieuwsgierig door het gezicht van de jonge dichter op het omslag. Zijn (proza)gedichten vond ze moeilijk te doorgronden, maar niettemin boden ze haar een nieuwe poëtische taal.
In 1973, op haar zesentwintigste, bezoekt ze zijn graf in het Franse Charleville-Mézières bij de oevers van de Maas, tussen Dinant en Reims. Ze heeft een negentiende-eeuws blauwglazen kralensnoer uit Harar in Ethiopië meegenomen. Abessinië, zoals het Keizerrijk Ethiopië vroeger heette, is namelijk de plaats waar Rimbaud graag zijn laatste rustplaats gekregen had. Hij werkte er ooit als koffiehandelaar, maar toen hij in Marseille op sterven lag, kon hij de lange reis daarnaartoe niet meer aan.
Patti Smith drukt het kralensnoer diep in de aarde van een grote urne voor Rimbauds zerk. Bij een later bezoek stelde ze vast dat de urne verdwenen was, maar dat deed voor haar geen afbreuk aan haar gebaar van toen.
Patti Smith bij Sylvia Plath in Heptonstall
Naar het graf van Sylvia Plath (1932-1963) in het dorpje Heptonstall in West Yorkshire, de streek van de zussen Brontë, gaat ze maar liefst driemaal, zo lees je in M-Train. De eerste keer wil ze van Sylvia Plaths graf vooral foto’s nemen met haar polaroidcamera. Zeven maakt ze er. Alle zeven zijn ze perfect dankzij het ideale herfstlicht. Een paar dagen later blijkt ze de polaroids tot haar ontsteltenis kwijtgespeeld te zijn.
Op jacht naar de glinstering van de verdwenen polaroids
Gewapend met haar camera gaat ze bij een volgende gelegenheid een tweede keer naar Heptonstall. De begraafplaats is dan met een laagje sneeuw bedekt. Er is weinig licht. Geen van haar foto’s slaagt. Vooral de troosteloosheid van de plek valt haar in deze omstandigheden op. Waarom heeft Sylvia Plaths echtgenoot Ted Hughes haar in godsnaam niet in New England bij de zee begraven, daar waar ze geboren is?
Patti Smith heeft geen aandenken meegenomen, maar wil er toch iets achterlaten. Uit haar zakken diept ze een opschrijfboekje op, alsook een paars lint en een sok met een geborduurde bij op de boord. Ze bindt het boekje en de sok bijeen met het lint en legt dit bundeltje naast de grafsteen. Wanneer ze door de sneeuw en de kou terug voorbij het zware kerkhofhek geploeterd is, breekt de zon alsnog door, zelfs op volle sterkte. ‘Ik draaide me om en keek achter me, en een stem fluisterde: “Niet omkijken, niet omkijken.”’
Een derde keer zwerft ze samen met haar zus door de contreien van Charlotte en Emily Brontë, langs overgroeide velden, wilde bloemen en victoriaanse ruïnes. Weer maakt ze een polaroidfoto, deze keer van Sylvia Plaths graf in het voorjaarslicht:
‘Erg mooi, maar zonder de glinstering van de verloren geraakte foto’s. Niets kan overtuigend worden nagemaakt. Geen liefde, geen sieraad, niet één dichtregel.’
Tezer Özlü bij Franz Kafka in Praag
Dat Patti Smiths generatiegenote Tezer Özlü op haar veertiendaagse reis door Centraal-Europa in 1982 de graven van drie van haar literaire helden bezocht, is niet verwonderlijk. Lees er maar de volgende passage uit Reis naar de rand van het leven opna:
‘Al mijn moed om te leven ontleen ik aan de doden. Aan de doden met hun verhalen waarin ik leef. Aan de doden die erin geslaagd zijn om van deze verdomde wereld een leefbare te maken. Aan de doden die alles wat de wereld nodig heeft, gegeven, uitgesproken, beschreven hebben’.
Op haar dag in de Tsjechische hoofdstad passeert ze eerst langs Kafka’s geboortehuis en het Gouden Straatje, een steeg aan de binnenzijde van de Praagse burcht. Daar, op huisnummer 22, heeft Franz Kafka (1883-1924) tussen 1916 en 1917 gewoond. Dan daalt ze de heuvel af, steekt de Moldau over en wandelt verder naar de wijk Josefov. Hoe verder ze daar over de oude Joodse begraafplaats loopt hoe meer die zich opent en verbreedt. De schijnbaar almaar uitdijende dodenakker trekt haar haast zijn oneindigheid in. Alleen, waar is het graf van Kafka?
Bij de uitgang hoort ze van de oude bewaker dat ze daarvoor op het nieuwe Joodse kerkhof in de wijk Žižkov moet zijn. Een metrorit verder treft ze er het graf van de familie Kafka aan, te midden van een eigenaardige, maar weldoende stilte en woekerend groen.
Tezer Özlü bij Italo Svevo in Triëst

Bekentenissen van Zeno, een roman over een verstokte roker die er maar niet in slaagt om de sigaret links te laten liggen, is het bekendste werk van de Triëstse auteur Italo Svevo (1861-1928). Zelf rookte de schrijver ook zestig sigaretten per dag, aldus zijn dochter Letizia. Met haar spreekt Tezer Özlü in Triëst af in het riante stadspaleis waar ze op haar vijfentachtigste woont. Letizia Svevo vertelt honderduit over haar vader en beweert onder meer, aldus Tezer Özlü, dat hij begraven ligt in de Giardino Publico, pal tegenover het monument voor James Joyce, van wie zowel haar vader als zijzelf nog Engelse les kregen.
Dat laatste zal wel kloppen, maar met de begraafplaats is er iets raars aan de hand. In het stadspark staat er effectief een buste van Italo Svevo, met het opschrift “Romanziere, 1861-1928”. En ertegenover bevindt zich een monument dat er geplaatst werd ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van James Joyce. Alleen die gedenksteen met de buste van Italo Svevo is niet diens graf.
Heeft Tezer Özlü de dochter van de schrijver misverstaan? En heeft ze zich verder op het verkeerde been laten zetten, doordat ze het park meteen herkende vanwege het jonge, mooie en arme meisje dat er vlakbij woont in zijn roman Een man wordt ouder? Waarover ze zich nochtans wel verbaasde, was de voor een kerkhof wel erg levendige sfeer die er hing.
Waar Italo Svevo’s lichaam dan wel rust? Iets buiten het stadscentrum, op het Cimiterio Sant’Anna.
Tezer Özlü bij Cesare Pavese in Turijn
Over Cesare Pavese (1908-1950) schrijft Tezer Özlü het meest uitgebreid. Hij werkte bij de uitgeverij Einaudi in Turijn, vaak samen met Natalia Ginzburg en Italo Calvino. In 1950, een paar weken voor zijn zelfmoord ontving hij voor De mooie zomer Italiës belangrijkste literatuurprijs, de Premio Strega. Het boek is een verzameling van drie novellen: De mooie zomer, De duivel op de heuvels en Vriendinnen. Ze zijn geschreven over een periode van tien jaar en gaan over de onbestemde hunkering van de jeugd.

Veel van Cesare Pavese‘s Turijn verkent Tezer Özlü samen met de jonge receptionist van het hotel Roma. In dit aan het station gelegen hotel benam Cesare Pavese zich in 1950 in kamer 305 van het leven. Ook reist ze naar Santo Stefano Belbo, zijn geboortedorp, zo’n vijfentachtig kilometer verderop. Daar treft ze zijn jeugdvriend Nuto, die er dan, in 1982, nog altijd zijn timmermanswerkplaats heeft. Nog een blijk van diens standvastigheid: al vijftig jaar lang gaat hij elke zondag na de mis met zijn vrouw eten in Albergo dell’Angelo. In dit pension verbleef Pavese, als hij naar Belbo terugkeerde.
Cimiterio Monumentale
Tezer Özlü bezoekt in Turijn tot slot het Cimiterio Monumentale, dat zijn naam qua omvang alle eer aandoet. Kilometerslange vale, gele muren treft ze aan en daarachter eindeloos veel kleine graven. Op zo goed als elk ervan prijkt een foto van de dode en doorgaans ook een vaas met bonte plasticbloemen. Het graf van Pavese ligt in de binnenhof. Het is van groen marmer. Achter het marmer zit een rode roos. Ook op zijn grafsteen een foto, van het gepijnigde gezicht dat haar zo dierbaar is.
Maar hoeveel liever had ze hem niet in het landelijke Santo Stefano Belbo bezocht, in de heuvels van Piëmont, dicht bij de ritselende maïsvelden! En kijk, sinds 2001 is het kerkhof van zijn geboortedorp daadwerkelijk zijn laatste rustplaats.


Meer lezen/weten?
- Patti Smith: Just Kids. Vertaald door Kathleen Rutten. Uitgeverij De Geus, Breda, 2012. 352 pag. ISBN 978 90 44 521160
- Patti Smith: M-Train. Vertaald door Ton Heuvelmans. Uitgeverij De Geus, Breda, 2015. 253 pagina’s. ISBN 978 90 44 535228
- Patti Smith: Engelenbrood. Vertaald door Nadia Ramer. Uitgeverij De Geus, Amsterdam, 2025. 342 pagina’s. ISBN 978 90 44 535242
- Mijn recensie van Engelenbrood voor Mappalibri
- Tezer Özlü: De kille nachten van de jeugd. Vertaald en van een nawoord voorzien door Hanneke van der Heijden. Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2024. 112 pagina’s. ISBN 978 90 83 344 195
- Tezer Özlü: Reis naar de rand van het leven. Vertaald en van een nawoord voorzien door Hanneke van der Heijden. Uitgeverij Jurgen Maas, Amsterdam, 2025. 196 pagina’s. ISBN 978 94 93 397 064
- Over Patti Smith en Jean Genet lees je meer in mijn post ‘Jean Genet en Patti Smith: (boeken)dief & diefjesmaat’
- Het West Yorkshire van de zussen Brontë en Sylvia Plath ontdek je in mijn post ‘Trip naar Wuthering Heights en de hei in West Yorkshire’
- Nog op til op Boekanza: een wandeling door het Triëst van James Joyce



